| Oog in oog met spuiters en slikkers | Thomas van der Steen | |
Omdat 2013 zo winters is begonnen fiets ik uitsluitend binnenstads. Snerpende oostenwind, kou, sneeuw, ‘t is mij een gruwel. Geen fietstochtjes meer gemaakt na de feestdagen.
Behalve van fietsen houd ik ook ontzettend veel van kijken naar fietsen. Urenlang voor de TV, terwijl de heren zich afbeulen op de flanken van de Galibier of over de kasseien van de Paddestraat te Zottegem.
Opeens struikelen de profs over elkaar om te biechten over hun dopegebruik. Ach, ik ben verbaasd, onthutst noch verbolgen. Het maakt me niks uit, ik geniet toch wel van de grote wedstrijden. Bovendien weet eigenlijk iedereen dat topsport niet zonder doping kan. Wacht maar, ooit gaan zelfs de ideale schoonzonen Epke, Rintje en Sven met de billen bloot.
Ik moest wel een keer naar de Tour de France.
-1989, proloog en eerste etappe. Samen met Belinda naar Luxemburg-stad. Daar zag ik voor het eerst het rondtrekkende circus. In het promopark dronk ik Café de Colombia, sponsor uit Zuid-Amerika. Pritt, van de lijm, reed rond met dakkelings op elkaar geplakte auto’s. We gingen een grand café binnen waar de journalisten verzamelden. Het is inmiddels 24 jaar geleden dus de zaal stond stijf van de rook. Volop bier, wijn, pastis, cognac en calvados, ‘t was tenslotte al elf uur in de ochtend. Met moeite kon ik me beheersen om een perskaart mee te gappen, ik wilde ook wel achter de hekken.
Voor het eerst zag ik hoe klein en mager wielrenners zijn. Bijvoorbeeld Luis ‘Lucho’ Herrera, bijgenaamd de Tuinman. Een ongelooflijk iel mannetje dat zich in ‘t zweet fietste op de rollers voor de proloog. Tegen de hekken gedrukt zag ik Gert-Jan Theunisse met dichte wielen aan komen denderen. Om zo weinig mogelijk wind te vangen reed hij vlak langs het publiek.. Dientengevolge liet hij de manen van de toeschouwers wapperen gelijk de zijne. Daar zag ik Erik Breukink de proloog winnen, hiep hoi, een Nederlander! De Tourwinnaar van het jaar daarvoor, Pedro Delgado, kwam 3 minuten te laat aan de start. Het gerucht ging dat hij een nieuwigheidje had ontdekt op zijn hotelkamer: het pornokanaal. Enfin, het was 1989.
De dag erna stonden we langs het parcours ergens tussen de hoofdstad en Ettelbrück. Eerst kwamen drie koplopers voorbij - met de etappewinnaar, Portugees Acacio da Silva- en dan een heel lange tijd niets. Meer dan tien minuten later kwam het peloton pas, een eeuwigheid. we waren wel getuige van een historisch moment. We zagen een Nederlander met de gele trui om zijn schouders en dat is tot op de dag van vandaag niet meer gebeurd. Nog even doortrappen Erik, je bent er na een dag weer vanaf.
-1994, proloog in Lille. Samen met Peter, een kroegvriend. Op de vrijdagavond besloten we de volgende dag naar Lille af te reizen. Ik kon met de auto doorrijden én parkeren tot op 100 meter van de streep, meet, finish. Daar zagen we Smeets en Nelissen in hun commentatorhokjes. Verder veel langs het parcours gelopen tijdens de ritten van de kleinere goden. Ook ik kende Rijssel alleen maar als grauwe, rokende industriestad langs de Franse A1. Pas in 1994 zag ik dat het een majestueuze stad met grandeur is.
Voor de laatste 20 toppers snel terug naar de finish. Peter fotografeerde zich suf; zoveel beroemdheden, zo dichtbij, onwerkelijk. Chiapucci, Zülle, Boardman, Indurain, Museeuw, Rominger en een kwijlende Breukink. Boardman won en Indurain werd tweede.
-1996, proloog in ‘s Hertogenbosch, ik ging alleen. Daar in het Brabantse heb ik wel de merkwaardigste ervaring met een wielrenner gehad. Le Grand Départ was in Den Bosch, drie kwartier met de trein van mijn huis, een zegen. De regen was dat beslist niet, 29 juni 1996 staat in de boeken als een natte dag. De renners startten in de Brabanthallen. Ik had een kaartje voor de zaal. Ik zat daar droog maar ‘t was me te gelikt, donker en te ver van het podium. De zaal zat stampvol en de start werd gebracht als een show. Lasers, stroboscopen en andere gekkigheid. Ik ging toch maar door de stad het rondje lopen in de stromende regen. Na twee uur lopen was ik terug in de hal en ging wat eten. Het zelfbedieningsrestaurant werd in tweeën gedeeld door een afzetlint. Achter dat lint bevond zich de perszaal. Ik stapte er gewoon overheen en groette Steven Rooks, oud wielrenner en toen sidekick van Smeets en Nelissen.
Omdat ik nu ‘journalist’ was liep ik zo naar het rennerskwartier. Buiten de Brabanthal stelden de coureurs zich op. Ze wachtten geduldig op hun beurt. Ook de winnaar van de Tour het jaar daarvoor, en daarvoor, en....enz. Miguel Indurain, vijfvoudig Tourwinnaar in serie stond op een armlengte. Ik prevelde, ‘Miguel, Miguel’ en hij keek me aan. Althans dat leek zo. Dat jaar droegen de specialisten een aerodynamische helm.
Het leek wel of Darth Vader himself volkomen emotieloos en tot het uiterste gefocust met koude ogen dwars door me heen keek. Het zal wel bij concentratie horen. Het was heel creepy en ik zal die ijselijke blik nooit vergeten. Overigens verloor hij die Tour en we hebben ‘m nooit meer op een fiets gezien.
Thomas van der Steen
| ||
donderdag 31 januari 2013
Oog in oog met spuiters en slikkers
woensdag 30 januari 2013
De schaduw van mijn fiets
| De schaduw van mijn fiets | Thomas van der Steen | |
Een jaar na mijn eerste fietsexpeditie buiten ’t Gooi ( Holysloot ), nu naar het Groene Hart. Met de nieuwe BMW 528 touring eerst naar Wilnis. En dat bijvoegsel ‘touring’ staat er niet voor niets. Bij de vorige auto moest de fiets bovenop het dak. De doodsangsten die ik heb uitgestaan….vreselijk. Steeds maar angstvallig in spiegels en over schouders kijken of de schaduw van mijn fiets nog meereed. Je zou denken dat het op een gegeven moment zou wennen, maar nee. Het gemak van de grenzeloze ruimte achter me is eindeloos geruststellend.
In Wilnis-dorp staat naast de parkeerplaats een Nederlands Hervormde kerk die strengheid uitstraalt. Ik vermoed dat het hier nog dondert op zondagochtend achter de donkerbruine gevel van het godshuis. Als contrast heeft de dorpse modezaak een enorm silhouet van Karl Lagerfeld als reclame-uiting, ik hoor God brommen.
Vanuit Wilnis , langs de Zuwe, meteen de natuur in. Dat dit gebied het Groene Hart heet is over-
duidelijk. Er is een overdosis aan groen. Behalve als er enorm veel vette, gele boterbloemen het groen verslaan maar dat is zelden. De lammetjes zijn in hun puberteit. Vorige maand waren ze alleen maar schattig, onwennig en klein, nu al brutaal en ondeugend. Ik zie hier ook – hoe zal ik ’t zeggen – bonte lammetjes. Wit met zwarte vlekken of andersom.
Ik fiets richting Woerdense Verlaat, goeie naam. Als het niet al had bestaan had Bordewijk ‘m verzonnen. Vanaf hier langs de Meije ( riviertje ) naar de Meije ( dorpje ). Alles is hier wonderschoon. Het stroompje meandert door het groen en de huisjes op de oever zijn begerenswaardig. Op het kaartje had ik gezien dat in het dorp een watertoren staat. Daar is een icoontje voor dat geen twijfel zaait: een klassieke monumentale watertoren. Maar de teleurstelling is ongeveer zo groot als de toren hoog is. Een witbetonnen fantasieloze kolos. Als een versteende raket staat hij in het verder zo lieflijke dorp. De bijnaam is Pietje Potlood, mijn moeder zou fallussymbool zeggen.
Langs de toren loopt een pad, dwars door de weiden, naar de Nieuwkoopse plassen. Het gras stopt, het water begint. Een dijkje door de Zuidereindeplas, mond dicht, insectengevaar. Langs de waterkant veel mannen en hun hengels, heel veel hengels. Navraag leert dat de heren azen op snoeken, roofblei, snoekbaars, paling, brasems, voorntjes dan wel karpers. Ik ken een karpervisser en wisten jullie dat ze de grote exemplaren namen geven?
Ik ben aan de overkant en rijd Nieuwkoop in. Op het Reghthuysplein staan maar liefst 4 rijksmonumenten. Vooral de alleenstaande toren midden op het plein trekt de aandacht. Alleen maar een toren, het kasteel dat er vroeger bij hoorde is er niet meer. De Wereldwinkel ( ze bestaan blijkbaar nog ) is er in gevestigd. De waar dan ook altijd aanwezige Spakenburgse viskraam heet ‘Het Scholletje’. Daar hadden ze Bordewijk niet voor nodig.
Een kort zinnetje in een huis-aan-huisblad vermeldt het. .. Dierenbegraafplaats Zevenhoven. Niet ver van Nieuwkoop ligt ‘t. Ik ben sowieso gek van kerkhoven – ja, een morbide hobby- maar dit is even wat anders.
De eerste keer in mijn leven dat ik een dierenbegraafplaats zag was bij een Engels kasteel. Een klein veldje met kleine grafstenen en zo’n 8 à 9 graven van loyale jachthonden. Nooit zal ik labrador Rufus vergeten. Zijn naam bleef in ons huis hangen, Tims eerste knuffel werd Rufus gedoopt. Vijftien jaar later zag ik in Bayonne een heel klein bordje: cimetière animalier. Dit was een gemeentelijke aangelegenheid, Belle, Minouche en Prince gaven acte de présence. Na Engeland en Frankrijk sta ik nu op de Hogedijk 10, in Zevenhoven, Zuid-Holland. Hier is een rustplaats met minstens 300 dooie huisdieren. Geen cavia’s, kamelen, parkieten, slangen, goudvissen of paarden. Louter honden en een enkele kat. Althans, Simba, Tijger en Felix zullen toch wel katten zijn?
Ik ben opgegroeid in een gezin zonder huisdieren. Dan vergeet ik even Methusalem, de schildpad. Die overleefde zijn winterslaap niet, alleszins logisch, het was de bitter koude winter van 1963. Nooit heb ik de aanwezigheid van een huisdier gemist. Mijn liefde voor mijn dierbare naasten is me genoeg. Een hond die onderdanig naar je opkijkt voor een brokje of wandeling, dat kan ik er echt niet bij hebben. Juist dat hebben alle baasjes die hier hun Rocky of Binkie hebben begraven wel zo graag. Ten hemelschrijende teksten staan er op de stenen. ‘Wacht op me Max, ik kom eraan om samen met jou in het paradijs verenigd te worden’.
Tja, zo geraken we in een filosofisch dispuut, zijn al die overleden dieren ook in het hiernamaals? Hoe zit het dan met die hinderlijke bromvlieg, die door het buurjongetje in de Lutherhof, ons huisdier werd genoemd? Als die er ook is ( de vlieg, niet het buurjongetje ) hoef ik die afslag na mijn dood dus niet te nemen. Al het leed achterlatend verlaat ik opgelucht Dierenbegraafplaats Zevenhoven.
De prachtige fietstocht eindigt misschien wat melancholiek maar je hoeft niet af te stappen bij alle dode huisdieren.
Ik fiets terug door de exploderende natuur naar de auto in Wilnis. Een hardloper roept me nog toe; ‘Aan je haar te zien heb je alleen maar tegenwind gehad’.
Rondje Nieuwkoopse Plassen: 42 kilometer
Waardering: 8,5/10
| ||
donderdag 24 januari 2013
Brief aan Ilse
Lieve Ilse,
Talent ontroert mij en het jouwe in het bijzonder. Bovendien zing je altijd zó zuiver dat ik zonder samengeknepen billen - uit angst voor de valse noot - kan luisteren. Er zijn maar 3 Nederlandse zangeressen die dat kunnen:
- Hind ( van Idols, hoor ik nooit meer wat van )
- Maeve van der Steen ( mijn zus, zij zet een onberispelijke Piaf neer )
- Jij
Die ontroering drijft me soms letterlijk tot tranen maar gelukkig niet altijd. Wél als je unplugged in een TV-programma zingt. Dus toen Eva Jinek, wapperend met haar draaiboek, verbaasd constateerde dat ze tranen in haar ogen had dacht ik; ‘Ja kind, wat had je dan gedacht?’ De drie onbewogen bankzitters ( Paul Jansen, Harry van Bommel en Jessica Durlacher ) verbaasden mij meer. https://www.youtube.com/watch?v=J3MC5nP1ZiQ
Bij de nummers ‘I Love You’, ‘I Still Cry’ en vooral ‘When’ is het bingo. Het is niet alleen bij jou. Het overkomt me ook bij ‘We Used To’van Dolly Parton, de 1e auditie van Paul Potts en Kyteman’s ‘Sorry’.
En daarom ging ik naar jouw Gelredome-concert.
Even tussen ons Ilse. De mensen die mij kennen zijn altijd verbaasd - vaak met een opgetrokken wenkbrauw - als ik vertel van mijn liefde voor jouw muziek. Té mainstream, commercieel, Nederlands, poppy, namaak, wat niet? Zal wel allemaal, ik hoor juist heel andere kwalificaties, just my luck.
Onderweg naar Arnhem op de snelweg al grote borden met P’s en jouw naam erop. Je mag dan niet big in Japan zijn, maar wel in Nederland. Als ik bij het stadion aankom loop ik er eerst een rondje omheen. Zo kan ik je publiek goed observeren. Geen verrassingen: veel provincie, veel Vinex, mensen op hun keurigst gekleed voor dit avondje uit , opgewonden, onwennig, veel giechelende vriendinnen, stelletjes, kwartetten echtparen, een enkele vader met 2 of 3 dochters en/of vriendinnen, niemand boven de 60. Free Record Shop-verkopers met rugzakken vol met jouw nieuwe CD en mobiele pinautomaten, écht slim.
Het concert
De show stond in het teken van de lancering van die CD: Eye of the Hurricane. Je begon met ‘I Need for You’, een heel rustig, ingetogen nummer. Uit interviews de dag erna begreep ik dat je pertinent met dát nummer wilde beginnen. Een ode aan je moeder en hoe zij omgaat met het verlies van haar man, jouw vader. Het tweede nummer was ‘Hurricane’, de toenmalige hit. Nu kon jij, maar zeker de band en achtergrondzangeressen voluit gaan. En dat kunnen jullie, tot in elke hoek van het stadion stormde het. Alle nieuwe nummers kwamen tijdens dit optreden voorbij afgewisseld met je oude successen.
Zoals ‘Living on Love’, heerlijk rauw net als in 1998 toen je dit nummer opnam.
Je nieuwe plaat steunt op 3 nummers de pilaren, die allemaal te maken hebben met je vaders overlijden. Voor ‘Time Will Have to Wait’ houd je het onvermijdelijke papa-verhaal. Ik hield mijn hart vast maar je sloeg je er doorheen. Je hebt ‘t al zo vaak moeten vertellen ( werkelijk alle bladen heb je gehad, ik kan ‘t weten, ik verkoop ze ) en dan nog eens, heel kwetsbaar, voor een vol stadion. Je zei nog dat je bang was dat er mensen zouden zijn die dachten dat je je verdriet uitventte. Geloof me Ilse, dat is jouw idée-fixe, niemand twijfelt aan je oprechtheid. In ‘Time Will Have to Wait’ hoorde ik al snel het door jouw vader zo geliefde huulorgel, zijn benaming voor een steelguitar.
Na de zware woorden leek je bevrijd. Freewheelend reeg je de oude hits en de nieuwe nummers aan elkaar. Tijdens de song ‘Winter of Love’ werd het podium omgetoverd in een gigantische ijspegelgrot, een prachtig effect.
De Grande Finale was de klassieker ‘I’m Not So Tough’. De zaal ontplofte. Maar het podium ook. Wat een geweldige performance. De band was echt super. Ik twitterde iets in de trant van Ilse @Gelredome was tougher #i’m not so tough than tough rockbitch Anouk ever will be. Zalig uitgesmeerd, fabuleuze solo’s, echt een ontlading. En je twee trouwe achtergrondzangeressen swingden de pan uit, geweldig!
Daarna begon je toegift met ‘Have a little Faith’ van Hiatt. Laat maar, dat heb ik.
Uit angst voor drukte, gedoe, parkeerwachten en files verliet ik de Gelredome voortijdig maar uiterst blijmoedig.
Thomas van der Steen, fan forever.
ps een week later zat je bij DWDD. Hé, dat was vast geen toeval dat Rawie zijn ‘Sterfbed’ mocht declameren. Een camera nam jou ook hoopvol close. Ongetwijfeld een ideetje van de op effectbejag beluste Dieuwke Wynia. Maar je gaf geen krimp, ik was trots op je.
Talent ontroert mij en het jouwe in het bijzonder. Bovendien zing je altijd zó zuiver dat ik zonder samengeknepen billen - uit angst voor de valse noot - kan luisteren. Er zijn maar 3 Nederlandse zangeressen die dat kunnen:
- Hind ( van Idols, hoor ik nooit meer wat van )
- Maeve van der Steen ( mijn zus, zij zet een onberispelijke Piaf neer )
- Jij
Die ontroering drijft me soms letterlijk tot tranen maar gelukkig niet altijd. Wél als je unplugged in een TV-programma zingt. Dus toen Eva Jinek, wapperend met haar draaiboek, verbaasd constateerde dat ze tranen in haar ogen had dacht ik; ‘Ja kind, wat had je dan gedacht?’ De drie onbewogen bankzitters ( Paul Jansen, Harry van Bommel en Jessica Durlacher ) verbaasden mij meer. https://www.youtube.com/watch?v=J3MC5nP1ZiQ
Bij de nummers ‘I Love You’, ‘I Still Cry’ en vooral ‘When’ is het bingo. Het is niet alleen bij jou. Het overkomt me ook bij ‘We Used To’van Dolly Parton, de 1e auditie van Paul Potts en Kyteman’s ‘Sorry’.
En daarom ging ik naar jouw Gelredome-concert.
Even tussen ons Ilse. De mensen die mij kennen zijn altijd verbaasd - vaak met een opgetrokken wenkbrauw - als ik vertel van mijn liefde voor jouw muziek. Té mainstream, commercieel, Nederlands, poppy, namaak, wat niet? Zal wel allemaal, ik hoor juist heel andere kwalificaties, just my luck.
Onderweg naar Arnhem op de snelweg al grote borden met P’s en jouw naam erop. Je mag dan niet big in Japan zijn, maar wel in Nederland. Als ik bij het stadion aankom loop ik er eerst een rondje omheen. Zo kan ik je publiek goed observeren. Geen verrassingen: veel provincie, veel Vinex, mensen op hun keurigst gekleed voor dit avondje uit , opgewonden, onwennig, veel giechelende vriendinnen, stelletjes, kwartetten echtparen, een enkele vader met 2 of 3 dochters en/of vriendinnen, niemand boven de 60. Free Record Shop-verkopers met rugzakken vol met jouw nieuwe CD en mobiele pinautomaten, écht slim.
Het concert
De show stond in het teken van de lancering van die CD: Eye of the Hurricane. Je begon met ‘I Need for You’, een heel rustig, ingetogen nummer. Uit interviews de dag erna begreep ik dat je pertinent met dát nummer wilde beginnen. Een ode aan je moeder en hoe zij omgaat met het verlies van haar man, jouw vader. Het tweede nummer was ‘Hurricane’, de toenmalige hit. Nu kon jij, maar zeker de band en achtergrondzangeressen voluit gaan. En dat kunnen jullie, tot in elke hoek van het stadion stormde het. Alle nieuwe nummers kwamen tijdens dit optreden voorbij afgewisseld met je oude successen.
Zoals ‘Living on Love’, heerlijk rauw net als in 1998 toen je dit nummer opnam.
Je nieuwe plaat steunt op 3 nummers de pilaren, die allemaal te maken hebben met je vaders overlijden. Voor ‘Time Will Have to Wait’ houd je het onvermijdelijke papa-verhaal. Ik hield mijn hart vast maar je sloeg je er doorheen. Je hebt ‘t al zo vaak moeten vertellen ( werkelijk alle bladen heb je gehad, ik kan ‘t weten, ik verkoop ze ) en dan nog eens, heel kwetsbaar, voor een vol stadion. Je zei nog dat je bang was dat er mensen zouden zijn die dachten dat je je verdriet uitventte. Geloof me Ilse, dat is jouw idée-fixe, niemand twijfelt aan je oprechtheid. In ‘Time Will Have to Wait’ hoorde ik al snel het door jouw vader zo geliefde huulorgel, zijn benaming voor een steelguitar.
Na de zware woorden leek je bevrijd. Freewheelend reeg je de oude hits en de nieuwe nummers aan elkaar. Tijdens de song ‘Winter of Love’ werd het podium omgetoverd in een gigantische ijspegelgrot, een prachtig effect.
De Grande Finale was de klassieker ‘I’m Not So Tough’. De zaal ontplofte. Maar het podium ook. Wat een geweldige performance. De band was echt super. Ik twitterde iets in de trant van Ilse @Gelredome was tougher #i’m not so tough than tough rockbitch Anouk ever will be. Zalig uitgesmeerd, fabuleuze solo’s, echt een ontlading. En je twee trouwe achtergrondzangeressen swingden de pan uit, geweldig!
Daarna begon je toegift met ‘Have a little Faith’ van Hiatt. Laat maar, dat heb ik.
Uit angst voor drukte, gedoe, parkeerwachten en files verliet ik de Gelredome voortijdig maar uiterst blijmoedig.
Thomas van der Steen, fan forever.
ps een week later zat je bij DWDD. Hé, dat was vast geen toeval dat Rawie zijn ‘Sterfbed’ mocht declameren. Een camera nam jou ook hoopvol close. Ongetwijfeld een ideetje van de op effectbejag beluste Dieuwke Wynia. Maar je gaf geen krimp, ik was trots op je.
donderdag 17 januari 2013
Lage Vuursche, pannenkoekenparadijs
Lage Vuursche, een royale versnapering.
Tot twee jaar geleden was ik nauwelijks tot niet geïnteresseerd in weersvoorspellingen. Vóór de weermannen met hun geleuter begonnen was ik al weggezapt. Ik nam het weer zoals het kwam en dacht net als Ernie van Sesamstraat; ‘het wordt altijd weer weer’. Door mijn fietshobby is dat veranderd. Tegenwoordig kijk ik of er op mijn vrije dagen slagregens en/of windhozen voorspeld worden. Zo niet, dan lonkt mijn fiets naar mij zoals ik naar hem.....euh.....haar lonk.
Maar het zijn de sombere dagen tussen Kerst en Oud en Nieuw dus veel kans krijg ik niet. Als er zonnestralen door de cumuli fracti glippen spring ik subiet op mijn fiets. Een klein stukje vandaag, de wolken blijven aanwezig en dreigend. Over de hei en door het Maartendijksche Bosch naar Lage Vuursche. Van kind af aan een geliefd doel voor een uitje, ‘t is een echt pannenkoekenrestaurant-paradijs. Vooral op mooie zondagen wemelt het hier van families, geschaard rond de tafels. De borden vol met de ronde lekkernij als wagenwielen zo groot. En erboven, -onder en -tussen talloze wespen die het op de mierzoete stroop hebben voorzien. Maar op deze winterdag staat er niet één tafel buiten en zijn er zeker geen wespen. Trappend over de Vuurse Steeg zie ik haardvuren achter de ruiten van de restaurants oplaaien. De bekendste herberg in de straat is ‘de Vuursche Boer’. Op de gevel staat een vélocipède. Een aandenken aan Gerrie Knetemann, eigenaar tot zijn overlijden. De Kneet, de sentimentele oud-wielrenner, die zijn tranen zo graag plengde op Mart Smeets’ schouders. Zijn naam leeft nog voort bij nieuwsredacties als een ‘knetemannetje’. Dat is als je sterft op een dag dat er zulk groot ander nieuws is dat het bericht over jouw overlijden ondersneeuwt. Gerrie overleed op 2 november 2004, de dag dat Theo van Gogh werd vermoord. Of het verschijnsel in de USA een ‘little fawcett’ wordt genoemd weet ik niet. Farrah Fawcett, die geföhnde, blonde stoot van Charlie’s Angels stierf op dezelfde dag als Michael Jackson.
Behalve een overdonderende hoeveelheid horeca is er natuurlijk ook Kasteel Drakensteyn. Hier was, naar eigen zeggen, onze Beatrix zo gelukkig met Claus en de kinderen. In voorbereiding op het zwaarste ambt genoot zij hier van een relatief onbezorgd en normaal gezinsleven. Het gebouw ken ik alleen van foto’s. Het is privébezit van mevr. B. van Lippe-Biesterfeld, met de nadruk op privé. Het zicht op haar have en goed wordt afgeschermd door bomen, hoge hekken en bewapende soldaten van de Koninklijke Marechaussee. In een wijde boog fiets ik een rondje om de hekken. Van de foto’s weet ik dat het acht-hoekige gebouw op een gecreëerd eilandje ligt. Maar nergens krijg ik een kans op een glimp van de burcht. Na haar troonsafstand kan Beatrix onbespied mijmeren over haar bewogen verleden.
Zal ze dan op zondagen naar de nabije kerk gaan? De Stulpkerk ligt op 2 minuten lopen van haar voordeur en is Nederlands Hervormd. Het is een klein dorpskerkje met dito begraafplaats. Er liggen twee mannen voor eeuwig te rusten met de voornaam Stoffel. Ik dacht altijd dat de naam van de schildpad uit De Fabeltjeskrant verzonnen was. Afgeleid van het fantasie-werkwoord stoffelen: zich zeer moeizaam voortbewegen. Maar het blijkt gewoon een vergeten Nederlandse voornaam te zijn.
Het wordt al snel donker deze middag. Over het knerpende fietspad fiets ik door het bos naar de provinciale weg. De automobilisten wordt gemaand hun lichten te ontsteken. Het was maar een kort ritje vandaag. Maar de in een jaar opgestapelde muizenissen verlaten mijn kop. Door de winterse en bevrijdende wind kan ik 2013 fris beginnen.
Thomas van der Steen
Tot twee jaar geleden was ik nauwelijks tot niet geïnteresseerd in weersvoorspellingen. Vóór de weermannen met hun geleuter begonnen was ik al weggezapt. Ik nam het weer zoals het kwam en dacht net als Ernie van Sesamstraat; ‘het wordt altijd weer weer’. Door mijn fietshobby is dat veranderd. Tegenwoordig kijk ik of er op mijn vrije dagen slagregens en/of windhozen voorspeld worden. Zo niet, dan lonkt mijn fiets naar mij zoals ik naar hem.....euh.....haar lonk.
Maar het zijn de sombere dagen tussen Kerst en Oud en Nieuw dus veel kans krijg ik niet. Als er zonnestralen door de cumuli fracti glippen spring ik subiet op mijn fiets. Een klein stukje vandaag, de wolken blijven aanwezig en dreigend. Over de hei en door het Maartendijksche Bosch naar Lage Vuursche. Van kind af aan een geliefd doel voor een uitje, ‘t is een echt pannenkoekenrestaurant-paradijs. Vooral op mooie zondagen wemelt het hier van families, geschaard rond de tafels. De borden vol met de ronde lekkernij als wagenwielen zo groot. En erboven, -onder en -tussen talloze wespen die het op de mierzoete stroop hebben voorzien. Maar op deze winterdag staat er niet één tafel buiten en zijn er zeker geen wespen. Trappend over de Vuurse Steeg zie ik haardvuren achter de ruiten van de restaurants oplaaien. De bekendste herberg in de straat is ‘de Vuursche Boer’. Op de gevel staat een vélocipède. Een aandenken aan Gerrie Knetemann, eigenaar tot zijn overlijden. De Kneet, de sentimentele oud-wielrenner, die zijn tranen zo graag plengde op Mart Smeets’ schouders. Zijn naam leeft nog voort bij nieuwsredacties als een ‘knetemannetje’. Dat is als je sterft op een dag dat er zulk groot ander nieuws is dat het bericht over jouw overlijden ondersneeuwt. Gerrie overleed op 2 november 2004, de dag dat Theo van Gogh werd vermoord. Of het verschijnsel in de USA een ‘little fawcett’ wordt genoemd weet ik niet. Farrah Fawcett, die geföhnde, blonde stoot van Charlie’s Angels stierf op dezelfde dag als Michael Jackson.
Behalve een overdonderende hoeveelheid horeca is er natuurlijk ook Kasteel Drakensteyn. Hier was, naar eigen zeggen, onze Beatrix zo gelukkig met Claus en de kinderen. In voorbereiding op het zwaarste ambt genoot zij hier van een relatief onbezorgd en normaal gezinsleven. Het gebouw ken ik alleen van foto’s. Het is privébezit van mevr. B. van Lippe-Biesterfeld, met de nadruk op privé. Het zicht op haar have en goed wordt afgeschermd door bomen, hoge hekken en bewapende soldaten van de Koninklijke Marechaussee. In een wijde boog fiets ik een rondje om de hekken. Van de foto’s weet ik dat het acht-hoekige gebouw op een gecreëerd eilandje ligt. Maar nergens krijg ik een kans op een glimp van de burcht. Na haar troonsafstand kan Beatrix onbespied mijmeren over haar bewogen verleden.
Zal ze dan op zondagen naar de nabije kerk gaan? De Stulpkerk ligt op 2 minuten lopen van haar voordeur en is Nederlands Hervormd. Het is een klein dorpskerkje met dito begraafplaats. Er liggen twee mannen voor eeuwig te rusten met de voornaam Stoffel. Ik dacht altijd dat de naam van de schildpad uit De Fabeltjeskrant verzonnen was. Afgeleid van het fantasie-werkwoord stoffelen: zich zeer moeizaam voortbewegen. Maar het blijkt gewoon een vergeten Nederlandse voornaam te zijn.
Het wordt al snel donker deze middag. Over het knerpende fietspad fiets ik door het bos naar de provinciale weg. De automobilisten wordt gemaand hun lichten te ontsteken. Het was maar een kort ritje vandaag. Maar de in een jaar opgestapelde muizenissen verlaten mijn kop. Door de winterse en bevrijdende wind kan ik 2013 fris beginnen.
Thomas van der Steen
dinsdag 15 januari 2013
La douce France, le Tour, Cédric et de la literature
Cédric
en Girona
Zwart,
inktzwart is het bodemloze gat waarin ik val als de Tour ten einde
is. Echte sportliefhebbers hoef ik niets uit te leggen. Gedurende
drie weken geeft de Ronde ons leven een granieten structuur. De
freaks kijken stiekem al vanaf de start van de etappe welke malloten
in een groepje zijn ontsnapt. Soms rijden ze wel zo'n 5 uur lang, 7
minuten vooruit. Gary Lineker, de Britse voetballer, zei ooit:
'Voetballen is een sport waar 22 spelers 90 minuten lang een bal
najagen en aan het eind winnen de Duitsers'. In navolging van hem
kunnen we nu zeggen: Wielrennen is een sport waar 198 renners
proberen als eerste over een streep te fietsen maar alleen Mark
Cavendish doet het.
Afgelopen
maandag restte mij de laatste interessante Equipe met alle
klassementen, foto's van een opgeluchte Evans en de nieuwe Franse
helden Voeckler en Rolland. Ik heb vrede met Evans' overwinning, na
zijn wereldkampioenschap in 2009 is hij een winnaar geworden.
Qua
lezen ben ik deze vakantie low brow begonnen, met Heleen van Royen's
Zomerboek. Deze vrouw behoeft geen verdere introductie. You either
love her or you hate her. En ik ben dol op haar. Toen ik haar eerste
boek las moest ik hardop lachen en dat was lang ( om een boek ) niet
gebeurd. Bovendien heeft ze een destijds veelbelovend Nederlands
politicus ontmaskert als cokesnuivende, soit, en heroïnehoerloper en
dat laatste is onvergeeflijk. Dat die Oudkerk ooit nog onder zijn
steen heeft durven uitkruipen is mij een raadsel.
Dat
zomerboek is frivool, egocentrisch en zeer toegankelijk. Er staan
leesbare columns in maar ook kleurplaten en sudokupuzzels. Frank
Wisse is haar manager en die heeft ook Lieke van Lexmond en Henkjan
Smits in zijn stal, dat genre. Sinds het succes van 'Gooische
Vrouwen' bestaat er geen enkele gêne meer. Heleen vertelt over haar
succevolle leven, haar geslaagde keuze om in Portugal te gaan wonen
en de kosmopolitische vakanties die zij viert. Dat haar dochter
Olivia met heur tas praat en Jimmy noemt < Jimmy Choo is in die
kringen een musthave tassenmerk > is grappig maar uiteindelijk
uiterst triest.
Voor
het weer bestaat maar een kwalificatie: wisselvallig. Het ene moment
stralend, 10 minuten later bewolkt van horizon tot horizon. En voor
de lokatie valt er onevenredig veel regen. Perpignan telt jaarlijks
300 zonnendagen maar niet in 2011. De temperatuur is nog niet boven
de 30 graden geweest, dat is maar goed ook. Ik vind het zalig, beetje
zon, beetje regen, frisse wind en een wolk hier en daar. Maar mijn
reisgenoten Zz ( onze dochter ) en Tejay ( haar vriendje ) dachten zo
bruin te worden als Rihanna. Tejay heet eigenlijk Thomas, net als ik.
Om misverstanden te voorkomen werd dat Thomas junior en dat weer op
zijn Amerikaans Tejay. Aan de Tramontana, de wind, heb ik al eerder
aandacht besteed maar ik moet er nog iets over kwijt. Je kan 'm maar
beter in je armen sluiten als je beste vriend anders wordt hij je
grootste vijand. Demis Roussos had in de jaren '70 een wereldhit met
'My Friend, the Wind', daar denk ik dan maar aan. Gekscherend zeg ik
thuis wel eens hoe fijn het is om met je kop in de wind alle
muizenissen uit je getroubleerde brein te wissen. Mocht je nog
onverwerkt verleden, trauma's, frustraties, fobiën of zorgen in het
algemeen hebben: kom naar Collioure. Ga naast me staan op het hoogste
punt van de camping, neus richting zee en je geest is na een minuut
of tien gegarandeerd leeg.
Dit
alles in tegenstelling tot 'Zwaarmoedige Verhalen voor bij de
Centrale Verwarming' van Heere Heeresma. Door zijn overlijden een
paar weken terug, heb ik zijn bestverkochte boek maar 's gelezen.
Samenvattend in één woord: bedompt. Zó bedompt dat het weer leuk
wordt. Het heeft geregend, regent of gaat regenen, die sfeer. Het
zijn vijf korte verhalen en als je geen opgewekt gemoed hebt zou je
je na het lezen verhangen. Het boek kwam uit in 1973 maar ademt meer
de sfeer van de vijftiger jaren. In één verhaal komt het begrip
'koopavond' voor en ik beschouwde het als anachronisme. Zijn boek
'Han de Wit gaat in Ontwikkelingshulp' las ik als puber en vond 't
hilarisch. Ook in dat boek stapelt de ene na de andere tragedie zich
op. Mocht je ooit iets van de dwarse en eigenzinnige schrijver willen
lezen: Leest allen Han de Wit!
Bee
en ik gingen een dagje naar Girona in Spanje. Zz en Tejay zijn met
Haagse vrienden naar Aqualand. In Girona zijn we 5 jaar geleden ook
geweest. Nu konden we zonder kids, aanmerkelijk makkelijker om een
oude en stoffige stad te bezoeken. Het is maar een uur rijden van
onze camping over de Autopista. Girona, Gerona zo je wil, is bekend
door zijn stadswallen, kathedraal, vliegveld ( Ryannair vliegt vanaf
Eindhoven ) en omdat er 65! profwielrenners wonen. Vanuit de stad
hebben ze alle mogelijke parcoursen binnen handbereik.
We
zijn over de helft van de vakantie en Cédric, de hardwerkende,
sympathieke en goedlachse man van de kampwinkel, heeft eindelijk zijn
'Afrique-Senegal-shirt' in de was gegooid. En een nieuw, zeer
nauwsluitend, exemplaar ( TT Pau 1993 ) uit de kast getrokken. De
Vival, zo heet zijn shop, is open van 8 tot 8 en hij is er altijd.
Hij is 63 en ziet er voor die leeftijd nog top uit. Alleen dat
hoestje, onmiskenbaar een rokershoest, doet het ergste vermoeden.
Vanaf dag 1 heb ik ervoor gezorgd dat ik zelf mijn baguettes mag
pakken want hij hoest weliswaar op de rug van zijn hand maar toch.
Ik
pest de arme man altijd door zijn mantra op te zeggen. 'Un quatre
vingt en boulangerie, subtotale et en espèces. Hij begeleidt al zijn
handelingen met gesproken woord. Hij kan niet onzeker zijn want zijn
winkel loopt als een dolle. De hele camping koopt er 's ochtends
brood, beleg, drinken en de krant. Vandaag sloot ik aan in een rij
van vijfentwintig, dat verklaart meteen waarom ik zo goed op de
hoogte ben van zijn doen en laten. Corinne, zijn vrouw en ook straf
rookster, staat altijd te ouwehoeren ergens in de winkel. Met zo'n
excuus-aanvuldoos voor zich, babbelend met de bakker of een jaarlijks
terugkerende campinggast. Als het Cédric te dol wordt schreeuwt hij;
'Corinne, aide-moi!' Hun daaropvolgende conversatie ontgaat me door
mijn gebrek aan kennis van de Franse taal. Wat ik wel begrijp is dat
ze, met steken onder water en veel geknipoog, met verve een
schijnbaar gelukkig echtpaar neerzetten. Ik ga hem nog 8 dagen
meemaken en zal de stand van zijn T-shirts bijhouden.
Het
boek 'Dieren Eten' van Jonathan Safran Foer moet je beschouwen als
Allen Carr's 'Stoppen met roken'. De schrijver beoogt dat je na het
lezen stopt met vlees eten. Ik heb het uit en ik ga, tegen beter
weten in, wél door met vlees eten. Vegetariër worden lokt maar ik
ben te slap, te laf en te weinig principieel. Foer kende ik al van
zijn bestseller 'Extreem Luid en Ongelooflijk Dichtbij'. Dat boek was
de eerste roman met 9/11 prominent aanwezig en werd de hemel
ingeprezen.
In
'Dieren Eten' krijg je een overvloed van onsmakelijke feiten over je
heen gekieperd waar de honden geen brood van lusten. Vanwege zijn
joodse afkomst zat ik eerlijk gezegd te wachten op de vergelijking
met de Holocaust maar hij houdt het bij oorlog. Wij, de vleesetende
mensheid, zijn in oorlog met de dieren die wij eten. Ik laat 't
erbij, iedereen weet dat de bio-industrie niet deugt. Maar dat 98%
van ons vlees uit die fabrieken komt, wist ik niet. Netzomin als het
onvoorstelbare feit dat voor de opbrengst van 1 kilo garnalen, 52
kilo andere zeebewoners sterven.
Na
de dag des oordeels, als wij allen branden in de hel, brand ik harder
en langer dan anderen. Ik kan mij niet beroepen op het 'ich habe es
nicht gewusst'-excuus. Maar het kan altijd erger. De Kentucky Fried
Chicken klanten krijgen het nog veel en veel heter.
Girona, zomer 2011
Girona y supermercado
Bee en ik zijn een dagje naar Girona in Spanje geweest. Zz en Tejay zijn met nun Haagse vrienden naar Aqualand, zo'n zwemparadijs. Vijf jaar geleden hebben we die stad al bezocht. Nu, zonder kids, kunnen we ons wat vrijer bewegen in de oude en stoffige stad. Als je via de autopista AP7 erheen rijdt ben je er binnen het uur vanaf onze camping.Girona ( Gerona volgens de Castilliaanse franquistische spelling ) staat bekend om zijn stadswallen, kathedraal, vliegveld en het feit dat er 65 ! profwielrenners wonen. Vanuit hier hebben ze elk denkelijk trainingsparcours binnen fietsbereik.
Over de wallen is een historische, archeologische wandeling uitgezet. De muren zijn gerestaureerd en door de cipressen, bougainville en daardoor geworpen schaduw is het net of je door een eindeloos park loopt. Ondanks de schoonheid is het er adembenemend rustig. Aan het eind van de rondgang toren je hoog boven de stad uit met zijn typerende dakkleuren. Ondanks de aanwezigheid van zoveel monumenten in deze historische setting zou je Carcasonne-achtige taferelen verwachten. Niets van dat al. In alle eenzaamheid bezoeken we de Banys Arabs, het Moorse badhuis. Via de steile trappen dalen we af naar het door mij uitgezochte tapasrestaurant Zanpanzar. Gesloten, dichtgetimmerd en verlaten. Uitmuntende kritieken op Tripadvisor, je ziet wat ervan komt: dicht.
Even verderop ligt het terras van een tent met een 'menú del dia'. Vooraf had Bee een soort baksteen althans zo zag 't eruit. Een zalig gerecht van aubergine en kaas uit de oven. Ik nam escalivada, nooit van gehoord, maar nu omnipresent. Op werkelijk elk Catalaanse menukaart komt het voor. Heel simpel, heel lekker en dat gaat vaak samen. Geroosterde aubergine, paprika en ui, dat is het. Kalfsentrecote voor Bee en ik kreeg een soort beenhammetje uit de oven met geroosterde worteltjes en een niet zo vette jus die met de 'pan' <brood> schoon op ging. Erbij een soort boontjes die ik nooit eerder had gezien, laat staan gegeten. Maar ook Bee kende de boonsoort niet. Postres: mousse au chocolat en fruit macedoine en koffie. Dat alles niet meer zo schofterig goedkoop als ooit maar nog altijd billijk.
Daarna naar de kathedraal die vooral groot is en bovenop een heuvel staat. Voor de hoofddeur een angstaanjagende steile trap naar beneden. Volgens een familielegende zou mijn vader er in 1962 met de auto af zijn gereden. Nou pa, ik ben er geweest maar het is niet gebeurd, sorry. Misschien een andere trap maar niet deze! Als de regisseur van de volgende Bond-film aan de voet van deze trappen zou staan voor een autostunt zou hij zeggen; 'laat maar, we gaan het niet doen'. Bij de kerk wel wat meer toeristen maar alleszins redelijk. Zou Girona te ver van de kust liggen om drommen toeristen te trekken?
In Spanje zijn, ondanks het verenigd Europa, nog veel dingen goedkoper dan elders. De 'usual suspects': tabak, brandstof en alcohol. Deze situatie zorgt altijd voor de ultieme lelijkheid in de grensplaats, in dit geval La Jonquera. Omdat hier ook de trucks voor de laatste keer hun tanks willen volgooien is het ook nog een keer vergeven van de hoeren. Nou zijn die niet allemaal lelijk maar wel heel veel. De supermercado's tot het plafond gevuld met drank en tabak. Cognac in 5 literflessen en Pastis bij de doos. Ik scoorde Foster's bier uit blik ( 0,5 liter ) voor 50 cent per blikje. Dan buiten op de parkeerplaats Fransen met tjokvolle karretjes teruglopend naar hun auto's. Net gekochte sigaret al brandend in de mondhoek. Ik weet het, ik kocht er ook net alcohol, heb vroeger gerookt maar de aanblik van dit alles maakt de wereld er niet mooier op.
Girona gelukkig wel.
donderdag 10 januari 2013
Nunspeet
11 november, 94 jaar later
De mist hangt zwaar over de weilanden, de kou bijt. Een heuse herfstdag in november aan de rand van de Veluwe. De slag om de thermometer begint. Vanuit een lage positie kiest de zon voor de aanval, het front is horizonbreed. Zij klimt en ploegt zich moeizaam door de mistflarden en beslecht de strijd in haar voordeel rond lunchtijd. Dan fiets ik al op de brug over het Veluwemeer het Nieuwe Land in.
Een uur geleden begon ik mijn geplande rondje in Nunspeet. Ik hees mijn fiets uit de auto bij het station. Via Doornspijk, Elburg, Mullegen en ‘t Harde zou ik weer terugkeren in Nunspeet voor een ceremonie die ik graag wil bijwonen. Vlakbij het station staat het Veluwetransferium. Van hier starten wandel- en fietsroutes. Een 30 meter hoge uitkijktoren steekt boven de boomtoppen uit. In de lente kom ik zeker terug om samen met Belinda een forse wandeling te maken. Want het is werkelijk schitterend hier; weilanden, bossen, houtwallen, singels, heidevelden en verderop water.
Na 1500 meter moet ik alweer afstappen, een begraafplaats. Het is het oude kerkhof van Nunspeet en niet meer in gebruik. Op de plattegrond zie ik een groot veld met graven van Belgische kinderen. Op de vlucht voor de oprukkende en moordende Duitse legers in 1914 kwamen velen in een kamp hier terecht. De omstandigheden waren erbarmelijk en van de 1000 kinderen onder de 12 stierf een kwart. Onder de machtige eiken liggen hun stoffelijke resten. Onder een stenen kruis staat: “Gastvrij Nederland aan de afgestorvene vluchtelingen”. Ons land was neutraal in ‘14-’18 maar de sporen van die oorlog liggen hier aan mijn voeten.
De weg naar Elburg gaat langs Doornspijk. Daar gaat net de kerk uit. Nederland mag dan grotendeels ontkerkelijkt zijn, zo niet in Doornspijk. De mannen en vrouwen, gekleed op hun zondags, knikken me minzaam toe terwijl ik door hun dorp snel. Verder naar Elburg wordt het steeds platter. Ik zie het Veluwemeer al liggen, de zon doet het water flonkeren. Langs de kust naar het noorden is veel volk op de fietspaden. Naarmate de dag vordert kan ik eerst de handschoenen uitdoen, mijn das afdoen en later zelfs mijn jas opengooien.
Het is 11 november, een drukke kalenderdag. De Raad van Elf komt voor ‘t eerst bijeen, het is Sint Maarten en in de rest van Europa wordt het einde van de Eerste Wereldoorlog herdacht. Een voor mij zeer tot de verbeelding sprekende oorlog, ik heb er mijn hart aan verpand. Op 11 jarige leeftijd stond ik in de ‘Dodengang’ - een oude loopgraaf- langs de rivier de Ijzer in België. De lugubere sfeer besprong me en heb ik nooit meer kunnen afschudden. Nog steeds lees ik nieuw uitgekomen boeken over dat conflict en hoop ik op nieuwe speelfilms. Laatst in Londen lag ik op mijn knieën in de HMV ( de Engelse Free Record Shop ) voor het ‘History’ DVD-rek. Toch weer een mij onbekende Franse documentaire kunnen scoren, vol horreurs.
Bij een kruispunt kan ik kiezen voor links naar Dronten of rechts naar Elburg. Ik besluit even mijn voeten op het Nieuwe Land te plaatsen, dus linksaf. In de verte ligt pretpark Walibi, de geraamtes van de attracties tekenen scherp af tegen de inmiddels staalblauwe lucht. Over de brug zet ik snel mijn voet aan de grond en keer gauw weer om. Flevoland is leeg en vooral eindeloos. Op de weg terug fiets ik langs de jachthaven. Tussen de boten gooien veel hengelaars hun haken uit. Omdat de kou langzaamaan door het water trekt zoeken de vissen daar het ietwat warmere water. Elburg is behalve een vestingstad ook een Hanzestad. Ik ben Naarden gewend als vesting met zijn specifieke stervorm maar Elburg is een rechthoek. Het stratenplan is als een raster net als in Manhattan. Ik kom binnen door de Vischpoort en de bolle kinderkopjes benadrukken de middeleeuwse uitstraling. Overal smalle straatjes maar een gracht snijdt het stadje doormidden. De brede straat langs de gracht heet de Beekstraat, tja. Ik verlaat het ommuurde stadje aan de noordkant, over de Mheenpoortstraat. Op een bankje in de zon roken twee heel jonge pubers hun heimelijke sigaretjes. Dat lijkt me nog een zware klus, om dat geheim te houden in deze besloten gemeenschap.
Gisterenavond keek ik traditiegetrouw op de BBC naar de Royal British Legion Festival of Remembrance. Ongetwijfeld is het iedereen wel eens opgevallen dat in de eerste weken van november de Engelsen een rode ‘poppy’ op hun revers dragen. Miljoenen soldaten stierven op de velden in Vlaanderen en Noord-Frankrijk en toch groeiden de klaprozen met hun vuurrode bladeren weer snel boven de grond. Op de zaterdagavond het dichtst bij 11 november herdenkt Groot Brittanië zijn gevallenen in de Royal Albert Hall. De plechtigheid duurt bijna twee uur - ontzettend lang én saai - maar de laatste 20 minuten kijk ik steevast. Alle Britse oorlogslachtoffers uit de geschiedenis worden herdacht. Een onophoudelijke reeks van uniformen, priesters, speeches en vlaggen komt voorbij. Tegen het einde van de avond declameert een hoogwaardigheidsbekleder het gedicht ‘For the Fallen’. De laatste zin luidt: ‘We will remember them’. Dat wordt mompelend herhaald door alle aanwezigen waaronder de koningin. Daarna wordt het ijzingwekkend stil. En dan, ja dan, PAS OP, SPOILER ALERT!
Omdat ik ooit zat te wachten op Engels voetbal op BBC1 viel ik onverwacht in deze gebeurtenis.
Opeens vallen uit de nok van de concertzaal miljoenen poppy’s op de aanwezigen. Elke poppy staat voor één dode Britse soldaat. En ze blijven maar vallen, sommige officierspetten kleuren geheel rood. Een huiveringwekkend beeld, die zwijgende groep mensen, gelaten voor zich uit kijkend. De hele zaal rood van de fladderende blaadjes, kippenvel en tranen waren mijn deel.
In het gras, zonder jas en in de volle zon, eet ik mijn Italiaanse bol belegd met eiersalade. Over de dijk wandelen gezinnen voorbij. Dat ik me in de Nederlandse Bijbelgordel bevind is overduidelijk. De vrouwen dragen ouderwetse hoedjes, de kinderen zijn ondanks hun leeftijd zeer netjes gekleed. De meisjes in traditionele rokken, de jongens in donkere pakken. Dat maakt ze in ieder geval niet minder hartelijk. Uiterst goedgezind word ik door allen beleefd gegroet. Het is hier zo aangenaam dat ik de tijd vergeet.
Mijn doel, de ceremonie in Nunspeet, begint om kwart over twee. Voordat ik weer op de fiets stap kijk ik op de klok van mijn telefoon; half twee. Shit, ik ben 23 kilometer verwijderd van die plek. Ik ga het zeker niet halen maar doe een verwoede poging. In één rechte lijn en op mijn allerhardst fiets ik terug naar Nunspeet. Ook nog wind tegen, bijna vanzelfsprekend. Die rechte lijn betekent ook nog saaie provinciale wegen. Ja zeg, zo is er ook niks aan, ik geef het op. Ik kies weer een meer aantrekkelijke route door de bossen. De herfstbladeren op de grond dempen bijna al het geluid in de bossen van ‘t Harde naar Nunspeet. Daar kom ik rond drieën aan op begraafplaats Nunspeet-Oost. Het kerkhof stroomt leeg, de ceremonie is voorbij. Bijna alle bezoekers dragen een poppy op hun jas. Om me te pesten hoor ik doedelzakklanken langzaam wegsterven tussen de bomen. Hier wordt jaarlijks een herdenking gehouden. Net sprak Flight Lieutenant J. C. Guertin namens de Britse Ambassade een paar woorden bij de graven van neergehaalde Engelse piloten. Tevergeefs loop ik de begraafplaats op. De militair die dit jaar de Last Post mocht blazen deelt opgelucht met een collega een sigaretje. Waarschijnlijk hoeft hij pas weer op 4 mei aan de bak. Volgend jaar, dan 95 jaar na de bevrijdende wapenstilstand, kom ik weer. Maar dan stipt op tijd.
Thomas van der Steen
In Flanders fields the poppies blow
Between the crosses, row on row,
That mark our place; and in the sky
The larks, still bravely singing, fly
Scarce heard amid the guns below.
John McCrae
De mist hangt zwaar over de weilanden, de kou bijt. Een heuse herfstdag in november aan de rand van de Veluwe. De slag om de thermometer begint. Vanuit een lage positie kiest de zon voor de aanval, het front is horizonbreed. Zij klimt en ploegt zich moeizaam door de mistflarden en beslecht de strijd in haar voordeel rond lunchtijd. Dan fiets ik al op de brug over het Veluwemeer het Nieuwe Land in.
Een uur geleden begon ik mijn geplande rondje in Nunspeet. Ik hees mijn fiets uit de auto bij het station. Via Doornspijk, Elburg, Mullegen en ‘t Harde zou ik weer terugkeren in Nunspeet voor een ceremonie die ik graag wil bijwonen. Vlakbij het station staat het Veluwetransferium. Van hier starten wandel- en fietsroutes. Een 30 meter hoge uitkijktoren steekt boven de boomtoppen uit. In de lente kom ik zeker terug om samen met Belinda een forse wandeling te maken. Want het is werkelijk schitterend hier; weilanden, bossen, houtwallen, singels, heidevelden en verderop water.
Na 1500 meter moet ik alweer afstappen, een begraafplaats. Het is het oude kerkhof van Nunspeet en niet meer in gebruik. Op de plattegrond zie ik een groot veld met graven van Belgische kinderen. Op de vlucht voor de oprukkende en moordende Duitse legers in 1914 kwamen velen in een kamp hier terecht. De omstandigheden waren erbarmelijk en van de 1000 kinderen onder de 12 stierf een kwart. Onder de machtige eiken liggen hun stoffelijke resten. Onder een stenen kruis staat: “Gastvrij Nederland aan de afgestorvene vluchtelingen”. Ons land was neutraal in ‘14-’18 maar de sporen van die oorlog liggen hier aan mijn voeten.
De weg naar Elburg gaat langs Doornspijk. Daar gaat net de kerk uit. Nederland mag dan grotendeels ontkerkelijkt zijn, zo niet in Doornspijk. De mannen en vrouwen, gekleed op hun zondags, knikken me minzaam toe terwijl ik door hun dorp snel. Verder naar Elburg wordt het steeds platter. Ik zie het Veluwemeer al liggen, de zon doet het water flonkeren. Langs de kust naar het noorden is veel volk op de fietspaden. Naarmate de dag vordert kan ik eerst de handschoenen uitdoen, mijn das afdoen en later zelfs mijn jas opengooien.
Het is 11 november, een drukke kalenderdag. De Raad van Elf komt voor ‘t eerst bijeen, het is Sint Maarten en in de rest van Europa wordt het einde van de Eerste Wereldoorlog herdacht. Een voor mij zeer tot de verbeelding sprekende oorlog, ik heb er mijn hart aan verpand. Op 11 jarige leeftijd stond ik in de ‘Dodengang’ - een oude loopgraaf- langs de rivier de Ijzer in België. De lugubere sfeer besprong me en heb ik nooit meer kunnen afschudden. Nog steeds lees ik nieuw uitgekomen boeken over dat conflict en hoop ik op nieuwe speelfilms. Laatst in Londen lag ik op mijn knieën in de HMV ( de Engelse Free Record Shop ) voor het ‘History’ DVD-rek. Toch weer een mij onbekende Franse documentaire kunnen scoren, vol horreurs.
Bij een kruispunt kan ik kiezen voor links naar Dronten of rechts naar Elburg. Ik besluit even mijn voeten op het Nieuwe Land te plaatsen, dus linksaf. In de verte ligt pretpark Walibi, de geraamtes van de attracties tekenen scherp af tegen de inmiddels staalblauwe lucht. Over de brug zet ik snel mijn voet aan de grond en keer gauw weer om. Flevoland is leeg en vooral eindeloos. Op de weg terug fiets ik langs de jachthaven. Tussen de boten gooien veel hengelaars hun haken uit. Omdat de kou langzaamaan door het water trekt zoeken de vissen daar het ietwat warmere water. Elburg is behalve een vestingstad ook een Hanzestad. Ik ben Naarden gewend als vesting met zijn specifieke stervorm maar Elburg is een rechthoek. Het stratenplan is als een raster net als in Manhattan. Ik kom binnen door de Vischpoort en de bolle kinderkopjes benadrukken de middeleeuwse uitstraling. Overal smalle straatjes maar een gracht snijdt het stadje doormidden. De brede straat langs de gracht heet de Beekstraat, tja. Ik verlaat het ommuurde stadje aan de noordkant, over de Mheenpoortstraat. Op een bankje in de zon roken twee heel jonge pubers hun heimelijke sigaretjes. Dat lijkt me nog een zware klus, om dat geheim te houden in deze besloten gemeenschap.
Gisterenavond keek ik traditiegetrouw op de BBC naar de Royal British Legion Festival of Remembrance. Ongetwijfeld is het iedereen wel eens opgevallen dat in de eerste weken van november de Engelsen een rode ‘poppy’ op hun revers dragen. Miljoenen soldaten stierven op de velden in Vlaanderen en Noord-Frankrijk en toch groeiden de klaprozen met hun vuurrode bladeren weer snel boven de grond. Op de zaterdagavond het dichtst bij 11 november herdenkt Groot Brittanië zijn gevallenen in de Royal Albert Hall. De plechtigheid duurt bijna twee uur - ontzettend lang én saai - maar de laatste 20 minuten kijk ik steevast. Alle Britse oorlogslachtoffers uit de geschiedenis worden herdacht. Een onophoudelijke reeks van uniformen, priesters, speeches en vlaggen komt voorbij. Tegen het einde van de avond declameert een hoogwaardigheidsbekleder het gedicht ‘For the Fallen’. De laatste zin luidt: ‘We will remember them’. Dat wordt mompelend herhaald door alle aanwezigen waaronder de koningin. Daarna wordt het ijzingwekkend stil. En dan, ja dan, PAS OP, SPOILER ALERT!
Omdat ik ooit zat te wachten op Engels voetbal op BBC1 viel ik onverwacht in deze gebeurtenis.
Opeens vallen uit de nok van de concertzaal miljoenen poppy’s op de aanwezigen. Elke poppy staat voor één dode Britse soldaat. En ze blijven maar vallen, sommige officierspetten kleuren geheel rood. Een huiveringwekkend beeld, die zwijgende groep mensen, gelaten voor zich uit kijkend. De hele zaal rood van de fladderende blaadjes, kippenvel en tranen waren mijn deel.
In het gras, zonder jas en in de volle zon, eet ik mijn Italiaanse bol belegd met eiersalade. Over de dijk wandelen gezinnen voorbij. Dat ik me in de Nederlandse Bijbelgordel bevind is overduidelijk. De vrouwen dragen ouderwetse hoedjes, de kinderen zijn ondanks hun leeftijd zeer netjes gekleed. De meisjes in traditionele rokken, de jongens in donkere pakken. Dat maakt ze in ieder geval niet minder hartelijk. Uiterst goedgezind word ik door allen beleefd gegroet. Het is hier zo aangenaam dat ik de tijd vergeet.
Mijn doel, de ceremonie in Nunspeet, begint om kwart over twee. Voordat ik weer op de fiets stap kijk ik op de klok van mijn telefoon; half twee. Shit, ik ben 23 kilometer verwijderd van die plek. Ik ga het zeker niet halen maar doe een verwoede poging. In één rechte lijn en op mijn allerhardst fiets ik terug naar Nunspeet. Ook nog wind tegen, bijna vanzelfsprekend. Die rechte lijn betekent ook nog saaie provinciale wegen. Ja zeg, zo is er ook niks aan, ik geef het op. Ik kies weer een meer aantrekkelijke route door de bossen. De herfstbladeren op de grond dempen bijna al het geluid in de bossen van ‘t Harde naar Nunspeet. Daar kom ik rond drieën aan op begraafplaats Nunspeet-Oost. Het kerkhof stroomt leeg, de ceremonie is voorbij. Bijna alle bezoekers dragen een poppy op hun jas. Om me te pesten hoor ik doedelzakklanken langzaam wegsterven tussen de bomen. Hier wordt jaarlijks een herdenking gehouden. Net sprak Flight Lieutenant J. C. Guertin namens de Britse Ambassade een paar woorden bij de graven van neergehaalde Engelse piloten. Tevergeefs loop ik de begraafplaats op. De militair die dit jaar de Last Post mocht blazen deelt opgelucht met een collega een sigaretje. Waarschijnlijk hoeft hij pas weer op 4 mei aan de bak. Volgend jaar, dan 95 jaar na de bevrijdende wapenstilstand, kom ik weer. Maar dan stipt op tijd.
Thomas van der Steen
In Flanders fields the poppies blow
Between the crosses, row on row,
That mark our place; and in the sky
The larks, still bravely singing, fly
Scarce heard amid the guns below.
John McCrae
Abonneren op:
Posts (Atom)