donderdag 24 september 2015

           Stairway to Hell  

              

Erik Scherder was het afgelopen jaar niet van de buis te slaan. Overal verkondigt de ranke en bebaarde grijsaard zijn boodschap: gij zult bewegen! Niet alleen ziet hij eruit als evangelist, hij schroomt zelfs niet elke beschikbare talkshowtafel te beklimmen om zijn zendingswerk extra kracht bij te zetten. Hij openbaart dat mensen dementie kunnen bezweren door lekker te sporten. Zijn eerste gebod luidt dat we de trap te moeten nemen in plaats van de lift. Ik vind de mallotige professor een blije eikel en ik haat blije eikels.


De gids bleek een guide en ik was 7. Mijn vader had me een langwerpig en groen boek over tafel toegeschoven. ‘Kijk maar of je iets ziet waar je naartoe wil’, zei hij. Ik zou met mijn ouders een weekje naar de Ardennen gaan. Ik bladerde door de Franstalige guide vert Michelin en had de grotten van Han snel gevonden. Er stonden geen foto’s in maar tekeningen. Van rivieren, meren, kloosters en dorpjes met kerktorens. Opeens viel mijn oog op een schets van een ellenlange trap in Liège. Hij leek oneindig en regelrecht tot in de hemel te reiken. Daar wilde ik wel een kijkje nemen maar mijn vader zei nors: ‘Luik is een vieze stinkstad en daar gaan we niet heen.’ Ik zei nog dat het in Liège was maar dat bleek Luik te zijn in het Frans.
In de 50 jaar erna ben ik vele malen naar of langs Luik gereden maar een bezoek aan Montagne de Bueren, zoals de trap officieel heet, kwam er niet van. Of ik moest ‘s avonds in Perpignan dineren of lunchen in Trier. Tijdens de Tourstart in 2004 was het te druk en eerder strandde een poging omdat Tomtom nog niet bestond. Maar dit jaar was er alle tijd en gelegenheid.

‘Maar pap, dat zijn de trappen van Luik uit Flikken Maastricht’, zegt mijn dochter als ik een foto laat zien. Ze is fan van de serie en een aflevering speelde blijkbaar bij de zuiderburen. Ze wil nu ook samen met me traplopen. Omdat ik altijd het slimste jongetje van de klas wil zijn bedacht ik een plan. Mijn vrouw zou ons boven afzetten, wij zouden al genietend van het uitzicht de trap af lopen, en zij ons weer beneden met de auto oppikken.
Bovenaan de 374 treden kijken we omlaag. De Maas fonkelt zich een weg door de zinderende stad. We dalen af en een eerste groep toeristen puft en hijgt ons tegemoet. Het zweet gutst over hun rood aangelopen gezichten. O, dat heb ik toch weer slim bekeken - moeiteloos glimlachen we ons naar beneden. Halverwege horen we opeens een sirene, later ontstijgt een kakofonie van noodsignalen de stad. Uit Nederland waaiende onweerswolken verduisteren de zon en beneden gekomen voel ik de eerste spetters al. Ik bel mijn vrouw om te zeggen dat ze ons nu kan halen in rue Hors-Chateau. De gevels geven geen enkele beschutting tegen de zomerse stortbui. De haren van mijn dochter hangen als een nat gordijn rond haar gezicht. Gelaten wachten we op onze auto maar alleen regen en sirenes vullen de straat.

'Alles staat muurvast, ik blijf boven.' We beseffen dat we naar boven moeten lopen, druipend en al. Met grote tegenzin zetten we onze eerste stap bergop. Na 17 treden is er steeds een plateautje; ik reken uit dat we er bij de 22e pas zullen zijn. Het hellingspercentage is met 30% beslist pittig.
Het hozen gaat over in miezer en uiteindelijk is het droog. Zonnestralen zoeken hun weg door gaten in het wolkendek. Onmiddellijk verdampt het water op de stenen trap. Traag maar onverzettelijk lopen we verder omhoog. De warmte stijgt langzaam met ons op. Ingesloten door de huizen wordt de stoom almaar dikker. Ademen gaat moeilijker en onze inspanning bovenmenselijk. Als we er bijna zijn kijk ik nog eens naar boven. De rook heeft Bijbelse proporties aangenomen. Uitgeput bereiken we de laatste trede.
Wat professor dokter Erik Scherder ook beweert: traplopen is de hel!

Thomas van der Steen









donderdag 10 september 2015

Amsterdamning ( 2 )

     




                                                1219BZ Damning2


      Amsterdamning ( 2 )


De bron van al die verblindende stralen ( waar ik vorige keer mee afsloot ) blijkt een grote aluminium ster te zijn. Het is het eerste kunstwerk van ArtZuid, de tweejaarlijkse beeldententoonstelling. Ik volg de sculptuurroute die me over de Minervalaan naar de Apollolaan voert. Het eerste stuk van die Minervalaan toont als een notabelenwijk in Nice, in ieder geval vandaag. Witte villa’s met gewassen kiezels op de met Audi’s, Porsches en Range Rovers bestrooide opritten. Het bladerdak van talrijke bomen filtert het zonlicht. Zelfs de belichting is mediterraan.

Nadat ik het kanaal ben overgestoken verbreedt de laan zich. Aan beide zijden verrijzen gebouwen met 4 woonlagen. In het midden van de straat ligt een riant plantsoen. De hier tentoongestelde beelden zijn dunne metalen staketsels of juist plompe, langwerpige blokken beton. Ze bekoren mij niet. Pas als ik aan de voet van het Hilton kom zie ik weer iets moois. Jaume Plensa heeft een enorm 3-D vrouwenhoofd gemaakt maar blijkt plat als ik erlangs fiets. Ook de grote Mickey Mouse-achtige creaties van KAWS maken indruk.
Ik dwaal verder over de brede laan en fiets het Olympiaplein op, nog nooit geweest. Ik stap af en draai 360 graden. De weelde en weidsheid is overrompelend. Op de brug naar het Amsterdams Lyceum staan ook beelden, veel ouder dan die van ArtZuid. Ze zijn van Hildo Krop en het enige wat me bijblijft is de dodelijke ernst die het gebeeldhouwde gezin uitstraalt. Zijn eigen gezin zou model hebben gestaan, mijn hemel, joligheid was troef bij de Kropjes.

Op mijn gemak peddel ik door de Pijp. Hier woonde ooit een studiegenoot, letterlijk 3 hoog achter. Ik bleef slapen want we zouden stappen. Ik verheugde me op een wilde nacht in hippe tenten waarbij ik, om margarita’s te bestellen, mij tussen Nina Hagen en Debby Harry zou moeten wurmen. Niets van dat alles, we gingen naar Bar Joost en Carla. Een biljart, ruziënde klaverjassers en de eeuwige, eenzame alcoholist op de hoek van de bar. Om alle treurnis nog wat te verdiepen klonk er uit de boxen een nieuwe volkszanger die kweelde over zijn eenzaamheid tijdens Kerst. Dertig jaar later zong Lange Frans over hem in ‘het Land van’ de volgende frase:

Ik kom uit het land waar André Hazes
over 100 jaar in elk café nog steeds de baas is

Nadat de laatste hiel van zijn jongste is gelicht vat een vriend het plan op om weer terug te verhuizen naar Amsterdam. Hij mist reuring en de nabijheid van podia en arena’s. Gelul natuurlijk, als ik vanuit Hilversum met de Intercity naar de Arctic Monkeys, Ajax of een uitvoering van Albinoni vertrek ben ik eerder bij de entree dan menig Mokumer.
Hij heeft zijn oog laten vallen op een huis in de Watergraafsmeer. Een keer rechts- en een keer linksaf van de Middenweg en ik ben op de Linnaeushof. Als ik door mijn wimpers kijk waan ik me in Brabant. De St. Lidwinaschool staat tegenover de Hofkerk, overgebleven katholieke bolwerken. Op het grasveld voor de kerk zegent een versteende Jezus mijn verdere reis.
Een paar straten verder ligt het beoogde huis. Tussen de vele bakfietsen staan picknicktafels. Vanavond zal hier vermoedelijk met Chardonnay geproost worden, 100 jaar geleden was dat nog jonge klare.

Langs Artis en over de grachten fiets ik naar de Dam.
Het is nog maar een klein stukje naar Centraal. Een zee van toeristen deint over het Damrak. Na een dagje door onze hoofdstad fietsen snap ik ze wel.

Big city,
Big city
Big, big city
You’re so pretty

Thomas van der Steen



donderdag 27 augustus 2015

Amsterdamning (1)


                
 1218BZ Saskia fiets

Amsterdamning ( 1 )


Het boek De Eetclub van Saskia Noort las ik onmiddellijk toen het in 2004 uitkwam. Van het plot - ogenschijnlijk gelukkige dertigers blijken dat niet te zijn, what’s new?- en van de afloop - moord en doodslag, anders geen boek - werd ik niet warm of koud. Maar het eerste hoofdstuk trof mij. Het beschrijft de drang van stelletjes met pasgeboren baby’s om terug te keren naar hun geboortedorp.
Amsterdam, in het boek en in mijn entourage, blijkt namelijk niet erg kindvriendelijk. Het is een crime om de kinderwagen drie trappen op te zeulen, de junks in het portiek willen wel helpen maar dat is een slecht idee, en als het kind wat ouder is kan het niet onbezorgd buiten spelen. Dat is een behoorlijke tegenvaller na 15 jaar onbezorgd studeren, feesten en yuppen. Want terwijl de inkt van hun diploma’s nog nat was verlieten mijn vrienden, kennissen en klasgenoten Hilversum om zich naar de hoofdstad te spoeden. Ik niet, ik bleef achter in het provinciale en suffe dorp.


De Molenroute begint voor het Centraal Station en loopt parallel met het IJ. Maar de brug van de Haarlemmer Houttuinen wordt gerepareerd en ik moet nu al van de route afwijken. De Haarlemmerdijk is afgeladen met jonge toeristen. Allemaal getooid met van die dwaze flapmutsen die zo van Amsterdam, Roma, London of Barcelona houden. Ondanks het vroege uur laveren ze stoned van stoep naar stoep. Dan stuit ik ook nog op een vuilniswagen die de straat blokkeert. De werkmannen zijn zonder uitzondering uitgerust met vervaarlijke tatoeages en Amsterdams gogme. Ik wacht daarom geduldig tot ik er langs kan.
Als ik bij het Westerpark kom wordt alles ruimer en vooral groener. In de verte de Westergasfabriek, het TV-brandpunt van Nederland. Hiervandaan worden meningen en meninkjes door DWDD, Pauw en Jinek over Nederland uitgestrooid.
De eerste molen dient zich aan. Het is de Bloem, een korenmolen die nog af en toe maalt. Als ik dichterbij kom zie ik aan het wasrek en de speelgoed-tractor op het grindpad dat het gebouw bewoond wordt.
De volgende molen op de route is de Otter. Ik moet mijn weg vinden door de Staatsliedenbuurt. Ik verwacht een wijk in deplorabele toestand door het beeld dat ik nog heb van de krakersrellen van 30 jaar geleden. Maar nu is het er opgeknapt, schoon en aangeveegd. Alleen de staat van houtzaagmolen de Otter is beroerd. De kop van de molen wordt bedekt met oranje bouwplastic dat klappert in de wind.

De 1100 Roe is de derde molen op de route. Niet alleen is hij in topconditie, hij werkt. De wieken draaien lustig en voeren het overtollige water af van Sportpark Ookmeer. Een mooier exemplaar is ondenkbaar en ik laat de molens de molens. Ik besluit verder langs water te rijden, in dit geval de Ringdijk en het Nieuwe Meer. Tussen de woonboten loeren reigers stokstijf naar hun prooi. Tussen het riet verschuilen zich roerdompen. Ondanks het dreigende gevaar van de vogels plonzen kikkers zorgeloos het water in. De natuur is op zijn uitbundigst zo vlakbij de stadsjungle.
Na het groen rijd ik weer de bebouwde kom in. Over de Boelelaan fiets ik evenwijdig met de nieuwe Zuidas. Ik vond Amsterdam altijd een truttig openluchtmuseum - vooral die lampjes aan de bruggen over de grachten - maar hier laat het zien een heuse stad te zijn. De gedurfde architectuur van de kantoren en woningen is een verademing. Eindelijk durft de hoofdstad de grote rivaal uit te dagen. Want voorlopig telt Nederland maar één echte stad en dat is Rotterdam.
Opeens treft de weerkaatsing van tientallen zonnen mijn oog.

( wordt vervolgd )
Thomas van der Steen

donderdag 25 juni 2015

Die Unvollendete

      
 1216BZ Unvollendete

  Die Unvollendete



Krrrraak, rrrrr, krak, als mijn ketting 3 of 4 tandjes overslaat doet mijn hart dat ook. De angst voor fietspech zit diep, heel diep. Mijn krantenwijk bracht mij op jonge leeftijd geld voor LP’s, bioscoopkaartjes en een ijzeren discipline om daadwerkelijk op te staan als de wekker ging. Het gevoel de wereld voor jezelf te hebben was ook fenomenaal. Maar tegenwind en neerslag, in welke vorm dan ook, domineren mijn herinnering. De vrees voor lekke banden of aflopende kettingen sluimert maar ontwaakt bij het minste of geringste.



Langs de Linge heb ik al vaker gefietst. Maar de rivier is lang, een van de langste van Nederland. De beoogde route van vandaag begint in Leerdam en gaat stroomopwaarts naar Landgoed Mariënwaerdt. Daar zal ik met het veer de rivier oversteken om langs de zuidkant weer terug te fietsen naar Leerdam. Daarna nog langs de scheve toren van Acquoy en Fort Asperen. Bij dat fort is net de tentoonstelling 'Gimme Shelter- forten en ficties in Laagland' geopend. Ik ben wel benieuwd naar de roze JSF die de posters siert.

In Leerdam is het markt en stervensdruk. Als ik buiten het centrum een dijkje bestijg hoor ik de 'krak' voor het eerst. Mijn ogen glijden over mijn kettingkast maar er is niks te zien, die zit potdicht. Ach negeren, incident. Aan de andere kant van het dijkje strekt de polder zich uit, groen en leeg. In een lange, rechte lijn loopt de weg naar het oosten. Als ik schakel kraakt het onheilspellend dus besluit ik in één versnelling te koersen. Bij de afslag naar Beesd stap ik af om toch eens te kijken of ik het euvel kan verhelpen. Nee dus. Op het kruispunt staat een boerderij te koop. Al heel lang, het te koop-bord is bemost en hangt scheef. Ook de dakpannen, luiken en voordeur hangen uit het lood.

Langs de Linge, hier een stroompje, rijd ik Beesd binnen. De Kerkstraat is idyllisch. Laatst schreef ik dat de Maliebaan de mooiste straat van Nederland is maar ik neem mijn woorden terug. De zilverkleurige klinkers glanzen in de zon, de leilinden aan beide zijden van de straat kunnen de fraaie gevels van de dorpshuizen goddank niet helemaal afdekken. De bomen begeleiden me tot een houten bankje dat over de rivier uitkijkt. Als ik de kids met hun skateboards en mobieltjes wegdenk waan ik me in de 19e eeuw.
De vrijdag erna leer ik van het geschiedenisprogramma De IJzeren Eeuw dat Abraham Kuyper hier in 1863 predikant werd. Opgeleid tot vrijzinnig dominee veranderde hij hier in een orthodoxe predikant. ‘Abraham de geweldige’ stichtte de eerste politieke partij van Nederland ( ARP ), een krant en de Vrije Universiteit, was Kamerlid en later minister-president.

Als ik het dorp verlaat - krak - zie ik op het grasveld van het laatste huis een wagenwiel op een paal. Twee klapwiekende ooievaars bekommeren zich om hun grijs, pluizig jong. De vader zweeft naar de sloot waar ik langsfiets. Als een reiger posteert hij zich op de wal; geen kikker is nog veilig. Omdat het gekraak aanhoudt en heviger wordt besluit ik de tocht af te blazen. Ik kan hier naar de overkant en fiets over de zuidoever terug naar Leerdam. Tussen de dorpen Enspijk, Rumpt - krak - en Gellicum fiets ik door overdadig groen. Af en toe piept een dijkhuisje tussen de struiken en bomen. Het is zo dichtbegroeid dat ik de Linge af en - krak - toe niet eens zie. Gelukkig, daar steken de schoorstenen van de glasfabriek al………..

Thomas van der Steen

woensdag 3 juni 2015

Utrecht mon amour

       
                  Utrecht mon amour

Op 4 juli start de Tour de France in Utrecht met een individuele tijdrit van 13,7 kilometer. Voor de liefhebber, en dat ben ik, een uitgelezen kans om de coureurs, met gepaste verafgoding, te bewonderen. Utrecht ligt hemelsbreed 15 kilometer van mijn huis, zo dichtbij waren ze nog nooit. In 2010 was de start van de Ronde van Italië in Amsterdam en de Tourstart in Rotterdam. Bradley Wiggins, winnaar in Amsterdam, en Fabian Cancellara, de snelste in Rotterdam, fietsten bijna over mijn schoenpunten.
Ter voorbereiding van het spektakel in Utrecht ging ik samen met mijn wielermaatje naar De Muur on Tour. Een theatervoorstelling over wielrennen van Mart Smeets, Joost Prinsen, Steven Rooks, Blaudzun, Peter Winnen en Jeroen Wielaert. Ik ging ook nog naar het Spoorwegmuseum voor de tentoonstelling ‘Parijs is nog ver’. Ik ben terdege voorbereid.
Maar op 4 juli ben ik niet in Utrecht maar in Woolloomoolloo, Australië. Verder weg dan dat kan niet of je moet de ruimte in.

Cinq... quatre... trois...deux...un, en ik trek mezelf in gang. De tijdrit begint voor Holland Casino, rechts sportvelden, links een desolaat parkeerterrein. Als ik er dan niet bij kan zijn fiets ik die tijdrit zelf wel. Na een kilometer op de grote rotonde links, daarna de brug over. Als ik de Vondellaan bereik is het oppassen geblazen, het stikt hier van de studenten. Waarom zitten jongvolwassenen tegenwoordig nooit meer in een bedompt lokaal? Ik zie ze alleen maar groepsgewijs naar een AH to go slenteren om daarna schransend en Red Bull slurpend weerom te keren.
De weg buigt naar rechts en volgt het spoor. De watertoren van de wijk Hoograven zal een mooi decor vormen als de renners voorbijflitsen. Nu scherp naar links onder het spoor door en dan over de Albatrosbrug rechts de Venuslaan in. Die loopt langs de Kromme Rijn, hier wordt het mooi. Maar de weg buigt af van het riviertje en stevent recht op Stadion Galgenwaard af. Linksom het stadion de Weg tot de Wetenschap op. Ah, daar is de Kromme Rijn weer. Als ik onder de A27 fiets ben ik even in academisch Utrecht. Snel verlaat ik via de Archimedeslaan de Uithof.

Dan rijd ik over de Waterlinieweg. Die ligt ingeklemd tussen een begraafplaats en het prachtige Park Bloeyendael. De wielrenners gaan hier niets van zien, die zien alleen maar het beton dat onder ze doorglijdt. Bij de rotonde linksaf om de eindeloze Biltstraat op te rijden. Na de rust van de laatste paar kilometer is het hier weer uitkijken, de Biltstraat is een winkelstraat. Bij de Kruisstraat linksaf om langs de Maliesingel te fietsen. Aan de overkant ligt de binnenstad en de monumentale panden, overwoekerd door groen, zien er weergaloos uit. Maar het wit van de koepel van sterrenwacht Sonnenborgh dat scherp afsteekt tegen het lover geeft het mooiste plaatje.
De laatste kilometers van de route zijn ongeveer dezelfde als die van het begin. Het laatste stuk gaat recht op de twee zilveren torens van de Rabobank af. De finish van de individuele tijdrit ligt aan de voeten van die hoge torens, vermoedelijk een deal uit het verleden.

Dat Utrecht de Tour mag ontvangen is een groot succes voor de stad. De hele wereld kijkt naar de schoonheid van je stad en de hotels puilen uit. Maar juist op de eerste dag, nota bene een tijdrit, fietsen ze niet onder de Dom door, denderen niet over de grachten en doen ook al niet de mooiste straat van Nederland aan, de Maliebaan.
De volgende dag vertrekken de renners naar Neeltje Jans en rijden dan onder, over en langs bovenstaande plekken maar dat is om 1 uur ‘s middags en die beelden halen de avondjournaals van Peking, New York of Sydney niet.

Ach, ik ben er toch niet, kan mij het schelen. Ik tip Tom Dumoulin, een Nederlander, als winnaar. En dat zou betekenen dat er weer eens een landgenoot in het geel gaat rijden. Dat gebeurde voor het laatst in Luxemburg in 1989 ( Erik Breukink, precies 1 dag ) en daar was ik dan weer wél bij.

Thomas van der Steen

woensdag 20 mei 2015



                   
Het cynisme voorbij


De laatste tonen van de Last Post sterven weg. Samen met mijn dochter sta ik in het Rosarium van Hilversum. In de rozentuin van ons geboortedorp worden de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog herdacht. Alle aanwezigen maken zich op voor twee minuten stilte. Ieder jaar lijkt het drukker te worden.

Sinds Pieter Broertjes, de oud-hoofdredacteur van de Volkskrant, onze burgemeester is wordt er serieus werk gemaakt van de dodenherdenking. Voorafgaand aan de twee minuten stilte is er de Bill Minco-lezing, vernoemd naar een van de plaatselijke verzetsstrijders. Twee jaar geleden sprak Ad van Liempt, vorig jaar Jan Brokken. In 2014 droeg Remco Campert het gedicht ‘De achttien dooden’ van zijn vader Jan voor. Dit jaar had de burgervader Arnon Grunberg uit zijn onmetelijke netwerk gevist.
Ik lees zijn ‘Voetnoten’ in de Volkskrant iedere dag. Vaak erger ik me aan zijn grenzeloze cynisme. Of het nou gaat over de bankencrisis, Syrië, bootvluchtelingen, Europa of verkrachtingen in India, het is volgens hem alleen maar toe te schrijven aan overlevingsdrang of geldelijk gewin. Alle filosofen uit de historie haalt hij aan om te benadrukken dat geweten of moraal ons vreemd is. Juist daarom zat ik op het puntje van mijn stoel om zijn visie op de inktzwarte periode ‘40-’45 aan te horen.
Theater Gooiland is tot de laatste plek bezet. Het geroezemoes verstomt als de burgemeester, getooid met ambtsketen, de zaal betreedt. Als ik de ketting zie moet ik aan Swiebertje denken, het is een potsierlijk gezicht. Hij betreedt het podium en vertelt over de Hilversumse verzetshelden. De straten uit mijn jeugd dragen hun namen.

Daarna gaat Arnon Grunberg achter het katheder staan. Elk cynisme wat ik van hem gewend ben is verdampt. De kern van zijn lezing gaat over de memoires van zijn onlangs overleden moeder Hannelore. Tijdens de oorlog is zij kleuterleidster in Theresienstadt en ontfermt zich over de in Westerbork geboren Karchlen Weisz. De driejarige kleuter vertrouwt niemand en weigert zijn jasje uit te doen als het warm is. Zij schrijft: ‘We hadden al onze overredingskracht nodig om hem te overtuigen dat het jasje wel veilig was. Hij keek ons dan treurig aan met zijn prachtige, amandelvormige donkerbruine ogen en geloofde ons toch niet.’
’Datum en plaats waar Karchlen is vermoord zijn mij niet bekend.’

Ondanks het feit dat ik geroerd ben door de woorden schiet het begrip ‘move the product’ me te binnen. Martin Bril, handelsreiziger in woorden, gebruikte deze term om duidelijk te maken dat er boekjes verkocht moesten worden. Overmorgen liggen de memoires van Hannelore in de winkels.
Of ben ik nu te cynisch?

Halverwege de twee minuten stilte volg ik een kwetterende jonge merel. Zijn onwennige en hoekige vlucht eindigt naast zijn moeder in een boom in het Rosarium. Hun gesnater snijdt door de stilte.
‘Mama, mama, er staan allemaal recht-oppers in onze tuin! En ze zijn allemaal stil.’
‘Ja lieverd, een oude wijze uil heeft eens aan opa verteld dat ze nu aan ellende van lang geleden denken. Toen maakten recht-oppers andere recht-oppers dood met vieze lucht.’
‘Maar mama, papa vertelde me dat ze datzelfde nu doen met de vliegers die jullie ganzen noemen, dat is toch niet eerlijk?’
‘Ach kind, dat is juist goed. Ganzen zijn anders. Die horen hier niet, deugen niet en vreten alles op wat van ons is.’

Na het Wilhelmus gaat ieder weer zijns weegs.

Thomas van der Steen

donderdag 23 april 2015

10 april 2015:bloesjesdag

             

                                  1213BZ OVfiets



               10 april 2015:bloesjesdag!

En dus geen rokjesdag, dat is maar nieuwigheid. Bloesjesdag werd voor het eerst gebruikt in de jaren zestig door Piet Grijs, rokjesdag pas in 1994. Maar bedenker Martin Bril werd zo populair dat zijn term norm is geworden. In de aanloop naar bovenstaande vrijdag, om nog maar te zwijgen van de dag zelf, werden we doodgegooid met het begrip rokjesdag. Het bleef niet beperkt tot het weerbericht, aan elke talkshow-tafel ging het erover. Het ‘olala’-onderwerp werd besproken alsof we nog in de 19e eeuw leefden.

Die dag, bloesjesdag dus, komt maar langzaam op stoom. Als ik het plein voor het station van Nijmegen op loop is de kou nog niet uit de lucht. Ik haal mijn OV-fiets voor die dag uit de stalling en rijd langs het Maas-Waal-kanaal de stad uit. De buitenwijken voeren me naar de Heilig Landstichting. Het Bijbelmuseum laat ik links liggen, de natuur lonkt. Dit gebied heet het Rijk van Nijmegen, het landschap golft tussen Maas en Waal. Als ik van Berg en Dal richting Groesbeek koers heet de weg dan ook Zevenheuvelenweg. Aan deze weg moet ook Groesbeek Canadian War Cemetery liggen. Dit parcours wordt als slopend ervaren door wandelaars en fietsers. Thuis staat mijn fiets met 8 versnellingen, dit geel-blauwe karretje heeft er precies 1. De zon is nu goed warm en bezweet geniet ik van het uitzicht.
Op de hoogste top staat een villa met een onmetelijke tuin. Achter het hek staan een paar jonge reeën te grazen. Als ik in Groesbeek aankom heb ik de Canadese begraafplaats nog niet gezien.

Lunchtijd nadert, Duitsland ook dus besluit ik in Kranenburg te eten. Daar maar even over de begraafplaats gelopen, de kerk zelf is zo gesloten als een kluis. De lunch in deze katholieke gemeente bestaat op vrijdag bij Schnellrestaurant Peters vanzelfsprekend uit vis, een gefrituurde.
In het Reichswald, de grens schampend, is het aanmerkelijk koeler. Als ik het bos verlaat overschrijd ik twee grenzen tegelijk: ik ben niet alleen weer in Nederland maar ook nog in Limburg, heel even. Terug in Groesbeek bezoek ik het Nationale Bevrijdingsmuseum. Veel aandacht voor Operatie Market Garden, die zich hier in de buurt afspeelde. Maar gelukkig ook veel foto’s over de bevrijding; je kan me geen groter plezier doen met een foto van goedlachse Hollandse meiden ( met officierspet ) op de motorkap van een Jeep. Uit de speakers klinkt ‘Trees heeft een Canadees’. In een koepel hangen als eerbetoon alle wapenschilden van de regimenten die Nederland bevrijd hebben. Daar valt me weer op dat ook Poolse soldaten hun leven hebben gewaagd, of zelfs gegeven, aan de bevrijding van Nederland.

Als ik weer op de fiets stap speelt ‘Trees heeft een Canadees’ nog door mijn hoofd. Ik bedenk dat hun ereveld niet ver kan zijn. Ik vraag aan een dame met hond of zij het weet. ‘Tis hier rechts de weg op, de hoogste bult rechts en pas op, tis steil hoor.’ Ik sta weer aan het begin van de Zevenheuvelenweg. Hoe kan ik 2617 kruisen gemist hebben? Als ik puffend en hijgend de begraafplaats bereik zie ik de reeën grazen aan de overkant van de weg. Verblind door de onschuld van de Bambi’s miste ik de versteende realiteit. Het gras is kort en groen, de kruisen spierwit en de Maple Leaf Flag vuurrood.

Uitbollend bereik ik aan het eind van de middag Nijmegen. Scholieren fietsen in lange slierten dezelfde route. Als we langs het Radboud en een ROC gaan wordt de stoet fietsers dikker en langer. Bij het station voegt zich ook nog het personeel van de leeggestroomde kantoren bij de massa. Geen rokje te bekennen trouwens. Wel veel bloesjes.

Thomas van der Steen