woensdag 3 juni 2015

Utrecht mon amour

       
                  Utrecht mon amour

Op 4 juli start de Tour de France in Utrecht met een individuele tijdrit van 13,7 kilometer. Voor de liefhebber, en dat ben ik, een uitgelezen kans om de coureurs, met gepaste verafgoding, te bewonderen. Utrecht ligt hemelsbreed 15 kilometer van mijn huis, zo dichtbij waren ze nog nooit. In 2010 was de start van de Ronde van Italië in Amsterdam en de Tourstart in Rotterdam. Bradley Wiggins, winnaar in Amsterdam, en Fabian Cancellara, de snelste in Rotterdam, fietsten bijna over mijn schoenpunten.
Ter voorbereiding van het spektakel in Utrecht ging ik samen met mijn wielermaatje naar De Muur on Tour. Een theatervoorstelling over wielrennen van Mart Smeets, Joost Prinsen, Steven Rooks, Blaudzun, Peter Winnen en Jeroen Wielaert. Ik ging ook nog naar het Spoorwegmuseum voor de tentoonstelling ‘Parijs is nog ver’. Ik ben terdege voorbereid.
Maar op 4 juli ben ik niet in Utrecht maar in Woolloomoolloo, Australië. Verder weg dan dat kan niet of je moet de ruimte in.

Cinq... quatre... trois...deux...un, en ik trek mezelf in gang. De tijdrit begint voor Holland Casino, rechts sportvelden, links een desolaat parkeerterrein. Als ik er dan niet bij kan zijn fiets ik die tijdrit zelf wel. Na een kilometer op de grote rotonde links, daarna de brug over. Als ik de Vondellaan bereik is het oppassen geblazen, het stikt hier van de studenten. Waarom zitten jongvolwassenen tegenwoordig nooit meer in een bedompt lokaal? Ik zie ze alleen maar groepsgewijs naar een AH to go slenteren om daarna schransend en Red Bull slurpend weerom te keren.
De weg buigt naar rechts en volgt het spoor. De watertoren van de wijk Hoograven zal een mooi decor vormen als de renners voorbijflitsen. Nu scherp naar links onder het spoor door en dan over de Albatrosbrug rechts de Venuslaan in. Die loopt langs de Kromme Rijn, hier wordt het mooi. Maar de weg buigt af van het riviertje en stevent recht op Stadion Galgenwaard af. Linksom het stadion de Weg tot de Wetenschap op. Ah, daar is de Kromme Rijn weer. Als ik onder de A27 fiets ben ik even in academisch Utrecht. Snel verlaat ik via de Archimedeslaan de Uithof.

Dan rijd ik over de Waterlinieweg. Die ligt ingeklemd tussen een begraafplaats en het prachtige Park Bloeyendael. De wielrenners gaan hier niets van zien, die zien alleen maar het beton dat onder ze doorglijdt. Bij de rotonde linksaf om de eindeloze Biltstraat op te rijden. Na de rust van de laatste paar kilometer is het hier weer uitkijken, de Biltstraat is een winkelstraat. Bij de Kruisstraat linksaf om langs de Maliesingel te fietsen. Aan de overkant ligt de binnenstad en de monumentale panden, overwoekerd door groen, zien er weergaloos uit. Maar het wit van de koepel van sterrenwacht Sonnenborgh dat scherp afsteekt tegen het lover geeft het mooiste plaatje.
De laatste kilometers van de route zijn ongeveer dezelfde als die van het begin. Het laatste stuk gaat recht op de twee zilveren torens van de Rabobank af. De finish van de individuele tijdrit ligt aan de voeten van die hoge torens, vermoedelijk een deal uit het verleden.

Dat Utrecht de Tour mag ontvangen is een groot succes voor de stad. De hele wereld kijkt naar de schoonheid van je stad en de hotels puilen uit. Maar juist op de eerste dag, nota bene een tijdrit, fietsen ze niet onder de Dom door, denderen niet over de grachten en doen ook al niet de mooiste straat van Nederland aan, de Maliebaan.
De volgende dag vertrekken de renners naar Neeltje Jans en rijden dan onder, over en langs bovenstaande plekken maar dat is om 1 uur ‘s middags en die beelden halen de avondjournaals van Peking, New York of Sydney niet.

Ach, ik ben er toch niet, kan mij het schelen. Ik tip Tom Dumoulin, een Nederlander, als winnaar. En dat zou betekenen dat er weer eens een landgenoot in het geel gaat rijden. Dat gebeurde voor het laatst in Luxemburg in 1989 ( Erik Breukink, precies 1 dag ) en daar was ik dan weer wél bij.

Thomas van der Steen

woensdag 20 mei 2015



                   
Het cynisme voorbij


De laatste tonen van de Last Post sterven weg. Samen met mijn dochter sta ik in het Rosarium van Hilversum. In de rozentuin van ons geboortedorp worden de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog herdacht. Alle aanwezigen maken zich op voor twee minuten stilte. Ieder jaar lijkt het drukker te worden.

Sinds Pieter Broertjes, de oud-hoofdredacteur van de Volkskrant, onze burgemeester is wordt er serieus werk gemaakt van de dodenherdenking. Voorafgaand aan de twee minuten stilte is er de Bill Minco-lezing, vernoemd naar een van de plaatselijke verzetsstrijders. Twee jaar geleden sprak Ad van Liempt, vorig jaar Jan Brokken. In 2014 droeg Remco Campert het gedicht ‘De achttien dooden’ van zijn vader Jan voor. Dit jaar had de burgervader Arnon Grunberg uit zijn onmetelijke netwerk gevist.
Ik lees zijn ‘Voetnoten’ in de Volkskrant iedere dag. Vaak erger ik me aan zijn grenzeloze cynisme. Of het nou gaat over de bankencrisis, Syrië, bootvluchtelingen, Europa of verkrachtingen in India, het is volgens hem alleen maar toe te schrijven aan overlevingsdrang of geldelijk gewin. Alle filosofen uit de historie haalt hij aan om te benadrukken dat geweten of moraal ons vreemd is. Juist daarom zat ik op het puntje van mijn stoel om zijn visie op de inktzwarte periode ‘40-’45 aan te horen.
Theater Gooiland is tot de laatste plek bezet. Het geroezemoes verstomt als de burgemeester, getooid met ambtsketen, de zaal betreedt. Als ik de ketting zie moet ik aan Swiebertje denken, het is een potsierlijk gezicht. Hij betreedt het podium en vertelt over de Hilversumse verzetshelden. De straten uit mijn jeugd dragen hun namen.

Daarna gaat Arnon Grunberg achter het katheder staan. Elk cynisme wat ik van hem gewend ben is verdampt. De kern van zijn lezing gaat over de memoires van zijn onlangs overleden moeder Hannelore. Tijdens de oorlog is zij kleuterleidster in Theresienstadt en ontfermt zich over de in Westerbork geboren Karchlen Weisz. De driejarige kleuter vertrouwt niemand en weigert zijn jasje uit te doen als het warm is. Zij schrijft: ‘We hadden al onze overredingskracht nodig om hem te overtuigen dat het jasje wel veilig was. Hij keek ons dan treurig aan met zijn prachtige, amandelvormige donkerbruine ogen en geloofde ons toch niet.’
’Datum en plaats waar Karchlen is vermoord zijn mij niet bekend.’

Ondanks het feit dat ik geroerd ben door de woorden schiet het begrip ‘move the product’ me te binnen. Martin Bril, handelsreiziger in woorden, gebruikte deze term om duidelijk te maken dat er boekjes verkocht moesten worden. Overmorgen liggen de memoires van Hannelore in de winkels.
Of ben ik nu te cynisch?

Halverwege de twee minuten stilte volg ik een kwetterende jonge merel. Zijn onwennige en hoekige vlucht eindigt naast zijn moeder in een boom in het Rosarium. Hun gesnater snijdt door de stilte.
‘Mama, mama, er staan allemaal recht-oppers in onze tuin! En ze zijn allemaal stil.’
‘Ja lieverd, een oude wijze uil heeft eens aan opa verteld dat ze nu aan ellende van lang geleden denken. Toen maakten recht-oppers andere recht-oppers dood met vieze lucht.’
‘Maar mama, papa vertelde me dat ze datzelfde nu doen met de vliegers die jullie ganzen noemen, dat is toch niet eerlijk?’
‘Ach kind, dat is juist goed. Ganzen zijn anders. Die horen hier niet, deugen niet en vreten alles op wat van ons is.’

Na het Wilhelmus gaat ieder weer zijns weegs.

Thomas van der Steen

donderdag 23 april 2015

10 april 2015:bloesjesdag

             

                                  1213BZ OVfiets



               10 april 2015:bloesjesdag!

En dus geen rokjesdag, dat is maar nieuwigheid. Bloesjesdag werd voor het eerst gebruikt in de jaren zestig door Piet Grijs, rokjesdag pas in 1994. Maar bedenker Martin Bril werd zo populair dat zijn term norm is geworden. In de aanloop naar bovenstaande vrijdag, om nog maar te zwijgen van de dag zelf, werden we doodgegooid met het begrip rokjesdag. Het bleef niet beperkt tot het weerbericht, aan elke talkshow-tafel ging het erover. Het ‘olala’-onderwerp werd besproken alsof we nog in de 19e eeuw leefden.

Die dag, bloesjesdag dus, komt maar langzaam op stoom. Als ik het plein voor het station van Nijmegen op loop is de kou nog niet uit de lucht. Ik haal mijn OV-fiets voor die dag uit de stalling en rijd langs het Maas-Waal-kanaal de stad uit. De buitenwijken voeren me naar de Heilig Landstichting. Het Bijbelmuseum laat ik links liggen, de natuur lonkt. Dit gebied heet het Rijk van Nijmegen, het landschap golft tussen Maas en Waal. Als ik van Berg en Dal richting Groesbeek koers heet de weg dan ook Zevenheuvelenweg. Aan deze weg moet ook Groesbeek Canadian War Cemetery liggen. Dit parcours wordt als slopend ervaren door wandelaars en fietsers. Thuis staat mijn fiets met 8 versnellingen, dit geel-blauwe karretje heeft er precies 1. De zon is nu goed warm en bezweet geniet ik van het uitzicht.
Op de hoogste top staat een villa met een onmetelijke tuin. Achter het hek staan een paar jonge reeën te grazen. Als ik in Groesbeek aankom heb ik de Canadese begraafplaats nog niet gezien.

Lunchtijd nadert, Duitsland ook dus besluit ik in Kranenburg te eten. Daar maar even over de begraafplaats gelopen, de kerk zelf is zo gesloten als een kluis. De lunch in deze katholieke gemeente bestaat op vrijdag bij Schnellrestaurant Peters vanzelfsprekend uit vis, een gefrituurde.
In het Reichswald, de grens schampend, is het aanmerkelijk koeler. Als ik het bos verlaat overschrijd ik twee grenzen tegelijk: ik ben niet alleen weer in Nederland maar ook nog in Limburg, heel even. Terug in Groesbeek bezoek ik het Nationale Bevrijdingsmuseum. Veel aandacht voor Operatie Market Garden, die zich hier in de buurt afspeelde. Maar gelukkig ook veel foto’s over de bevrijding; je kan me geen groter plezier doen met een foto van goedlachse Hollandse meiden ( met officierspet ) op de motorkap van een Jeep. Uit de speakers klinkt ‘Trees heeft een Canadees’. In een koepel hangen als eerbetoon alle wapenschilden van de regimenten die Nederland bevrijd hebben. Daar valt me weer op dat ook Poolse soldaten hun leven hebben gewaagd, of zelfs gegeven, aan de bevrijding van Nederland.

Als ik weer op de fiets stap speelt ‘Trees heeft een Canadees’ nog door mijn hoofd. Ik bedenk dat hun ereveld niet ver kan zijn. Ik vraag aan een dame met hond of zij het weet. ‘Tis hier rechts de weg op, de hoogste bult rechts en pas op, tis steil hoor.’ Ik sta weer aan het begin van de Zevenheuvelenweg. Hoe kan ik 2617 kruisen gemist hebben? Als ik puffend en hijgend de begraafplaats bereik zie ik de reeën grazen aan de overkant van de weg. Verblind door de onschuld van de Bambi’s miste ik de versteende realiteit. Het gras is kort en groen, de kruisen spierwit en de Maple Leaf Flag vuurrood.

Uitbollend bereik ik aan het eind van de middag Nijmegen. Scholieren fietsen in lange slierten dezelfde route. Als we langs het Radboud en een ROC gaan wordt de stoet fietsers dikker en langer. Bij het station voegt zich ook nog het personeel van de leeggestroomde kantoren bij de massa. Geen rokje te bekennen trouwens. Wel veel bloesjes.

Thomas van der Steen


donderdag 9 april 2015

Echte kerels zuigen niet, ze drinken


       

Echte kerels zuigen niet, ze drinken

Miguel Indurain kon in juli 1996 de Tour de France winnen. Dat zou voor hem de 6e keer zijn, een absoluut record. Maar tijdens een beklimming in de Alpen miste hij een etenszakje. Vier kilometer voor de top vloeide alle kracht uit zijn benen en stond ‘geparkeerd’. Miguel verloor een minuut per kilometer en daardoor de Tour. De Fransen noemen dat een fringale, de Vlamingen zeggen hongerklop.
Diabetici hangt dit fenomeen iedere dag boven het hoofd. De wankele balans tussen glucose en insuline kan verstoord worden door onverwachte fysieke inspanningen. Maar ook mentale zorg kan een zogenaamde hypoglykemie veroorzaken. Een echtelijke twist, ruzie met een recalcitrante puber of bonje met een onrechtvaardige leidinggevende kan tot een verontrustend laag bloedsuiker leiden. Ook ‘gezonde’ mensen kennen het hypo-gevoel uit hun jeugd. Dat je na een wilde dag in het zwembad trillend een dennenkoek weg bunkert en maar aan één ding denkt: nog een dennenkoek. Suikerpatiënten kunnen in die situatie door een levensbedreigende ondergrens zakken  Dat is de reden dat ik - ik bén diabeet - altijd druivensuiker bij me draag als ik ga fietsen.

Na een bezoek aan Amsterdam besluit ik naar huis in Hilversum te fietsen. Ik heb de stad kriskras doorkruist en al de nodige kilometers afgelegd. Maar de net genoten overvloedige lunch stelt me gerust; genoeg brandstof in mijn lijf. Maar het eerste obstakel is de Nesciobrug. Die overspant het Amsterdam-Rijnkanaal, hierover kunnen lopers en fietsers van IJburg naar de stad. De helling naar boven is steil, heel steil. Afstappen is geen optie, je bent een kerel of niet. Als ik boven ben stop ik wel. Puffend en hijgend realiseer ik me dat dit dezelfde plek is waar Monic Hendrickx in Penoza haar eerste afspraak met de onderwereld had. Hoog boven het kanaal voel ik dat de wind aanwakkert en ook nog uit de verkeerde richting. Aan de overkant draai ik de brede betonnen strook op die langs het kanaal door het Diemerpark loopt. Nu ik tegen de wind in fiets merk ik pas hoe sterk die is. Om me zo klein mogelijk te maken lig ik plat over het stuur. De bomen aan de overkant van het kanaal ruisen. Ik smijt met energie en maak me zorgen. Mijn laatste vier tabletjes druivensuiker eet ik op. Na elke afgelegde kilometer moet ik een versnelling terug tot de laagst mogelijke: stand naaimachine. Als ik opkijk zie ik de centrale van Nuon. Daarachter ligt Maxis en een Burger King. Verbeten staar ik naar het onder me doorglijdende beton.

Uitgewoond en met knikkende knieën loop ik de hamburgertent binnen. Het is leeg op een tafeltje met vier jonge mannen na. Verveeld leunt een medewerkster tegen de balie. Ik vraag om een grote cola, een echte. Als Liberty-Grace, dat staat op haar naambordje, de beker neerzet gris ik ‘m uit haar handen, trek de deksel eraf en klok gulzig de vloeibare suiker naar binnen. ‘Ik heb er een rietje naast gelegd hoor’, zegt de Surinaamse. ‘Dat vind ik onmannelijk’, ik ben weer bij mijn positieven. Liberty-Grace schiet in de lach en taxeert of ik serieus ben. Ik bestel er nog een hamburger bij. Samen staren we naar het ijzeren talud waar de hamburger straks vanaf zal glijden.
De stoerste van de vier mannen, Clifton volgens zijn vrienden, staat op. Hij is groot, zwart, kaal en vanonder zijn witte T-shirt kringelt een getatoeëerde slang tevoorschijn. Zijn lichaam is duidelijk geboetseerd in de sportschool, zijn glimmende baseball-jasje is eigenlijk te klein voor al dat spiergeweld. ‘Hé chickie, gaan we vanavond naar Club Air?’, vraagt hij brutaal. In afwachting van haar antwoord lurkt hij - via een rietje - van zijn drankje. ‘Nee yongu’boi, ik heb al een date…...met een man.’ Tegelijk met de hamburger krijg ik een knipoog. Na 10 minuten verlaat ik volledig gelaafd het fastfoodrestaurant en stap manhaftig op mijn fiets voor het laatste traject. Brandstof zat.

Thomas van der Steen







donderdag 26 maart 2015

Voorwaarts naar het verleden



            1211BZ Verleden
Voorwaarts naar het verleden


In de herfst van 1968 verhuisden we, ik was 10 jaar en moest naar een andere school. De maandag na de herfstvakantie begonnen ze op de nieuwe school met zinsontleding. Ouwe koek voor mij dus al snel gleden mijn ogen over de hoofden van mijn nieuwe klasgenoten. Ze bleven steken bij een poster aan de muur. De afbeelding schonk me een blik in de toekomst. Een stad vol wolkenkrabbers met spiegelende puien, vliegende auto’s, hangende tuinen en doorzichtige buizen waar treinen doorheen raasden. De meester merkte mijn geestelijke afwezigheid op en zei: 'zo dromer, en wanneer denkt de nieuwkomer dat deze droom werkelijkheid zal zijn?' 'In 1985, meneer,' voorspelde ik.

Vanaf Werkhoven volg ik de Kromme Rijn richting Utrecht. De mist hangt zwaar over het land. De beloofde zonnige lentedag is uitgebleven. De kronen van de populieren zijn onzichtbaar. In de dorpjes Odijk en Bunnik wordt het grijze decor gebroken door de witte kerkjes op de oever van de rivier. Na door weilanden te hebben gekronkeld, baant de Kromme zich nu door een bos. Opeens fiets ik door een stenen poort. Daarachter ligt landgoed Rhijnauwen, ik herken het van twee jaar terug. Hier werd toen mijn werkgeefster ten grave gedragen. Op mijn eerste werkdag reed er ‘s ochtends een ambulance met gillende sirenes voorbij. Zij keek over mijn schouder naar de klok achter me. Toen ‘s middags hetzelfde gebeurde vroeg ik haar waarom ze op de klok keek. ‘Ik kijk of mijn kinderen veilig op school zijn.’ 30 jaar later betrapte ik mij op dezelfde reflex.

De natuur wordt voor even verdrongen door de A12, onze verkeersader naar het Ruhrgebied. Bij Bunnik staan van die enorme, Amerikaans formaat, reclamezuilen langs de snelweg. Maar als de zware brom van het verkeer overgaat in een zoemtoon doemt ook het boerenland weer op. Dit waterrijke gebied is vergeven van de forten die deel uitmaakten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Totdat Duitse vliegtuigen er in 1940 overheen vlogen was dat eeuwenlang onze ultieme verdediging. Boven de bomen zie ik het dak van een nagebouwde Romeinse wachttoren. De Kromme Rijn was de noordgrens van het Romeinse Rijk. Lang werd gedacht dat de Romeinen bang waren voor de moedige strijders ten noorden van de Rijn maar ze vonden dat ze niks te zoeken hadden in dat zompige en koude land. Als ik, net als legionair Gemini Lapidis in 47 na Christus deed, uitkijk over het mistige land begrijp ik ‘m wel. Hij droomde tijdens zijn hondenwacht over zijn Agrippina en hun boerderijtje met olijfgaard in Liguria. Loom genietend van de avondzon en een amfora wijn.

Nederland is zo georganiseerd dat van echte natuur geen sprake meer is. Mijn rit gaat door een nieuw aangelegd natuurgebied: Nieuw Wulven. Pas 8 jaar oud maar enorm gevarieerd. Het trekt vissers, vliegeraars, hardlopers, vogelaars, kinderen die hutten bouwen. Het pad voert langs een zogenaamd drasbos en dat is precies wat het woord behelst. Elzen en wilgen met hun wortels in een moeras. Als het bos ophoudt begint Houten. Op het Rond, het winkelcentrum van die forensenstad, pauzeer ik met een versnapering. Opeens zie ik de poster uit 1968 tot leven komen. De gevels van de winkels weerkaatsen mij, mijn fiets en alles achter me. Op dakterrassen wordt gelounged tussen de moestuinen. Als ik naar rechts kijk zie ik het station van Houten. Het hangt op 10 meter van de grond in een plexiglazen buis. Door de buis glijdt een Sprinter en dendert een Intercity. Zo voorzag Jules Verne de wereld 150 jaar geleden. En ik dacht dat het er 30 jaar geleden al zo zou uitzien. Maar waar zijn die vliegende auto’s?

Thomas van der Steen


donderdag 12 maart 2015

'Scarlett, fietsen is niks voor mij'

  

  
‘Scarlett, fietsen is niks voor mij.’



'Kijk Scarlett, daar gaat die uitslover weer, de buurman gaat fietsen. Ik weet nog goed dat hij daarmee begon, met dat fietsen. Zijn eerste tochtje was nota bene naar Holysloot. Of de duvel ermee speelde. O, o, wat kwam meneer enthousiast terug. Hij trof me die warme Hemelvaartsdag voor het huis in de late middagzon. Toen de naam Holysloot viel huiverde ik.’


‘Het was januari 1945, het was oorlog maar vooral stervenskoud. En we hadden honger. Vader werkte in Duitsland als dwangarbeider in een fabriek. Berend, mijn kleine broertje, lag slecht. Bleek en graatmager lag hij te bibberen in bed. Mama was bezorgd en bang. Ik moest van haar op vaders fiets naar de boeren om eten te halen. Ik kreeg haar trouwring mee. En een armband, die kende ik niet maar die was ook van goud. Omdat de fiets zo groot was moest ik staand fietsen, ik was al doodop toen ik in Noord aankwam. Ik had het zo verrekte koud, gruwelijk. In Holysloot kon ik niet meer en donderde verstijfd van de fiets. Ik werd opgeraapt door een boerin die me naar de boerderij bracht. Ik mocht me warmen aan de kachel in de keuken en mijn handen tintelden zo erg dat ik moest huilen van de pijn. Haar man gaf me voor de ring en de armband een zak aardappelen en een paar grote kolen. De boerin wond nog een paar lappen om mijn handen.
Thuisgekomen huilde mama aldoor, zelfs bij het maken van de soep. Berend en ik slobberden de koolsoep gretig naar binnen, verdund met mama’s tranen. Gelukstranen Koen, zei ze later altijd.’

‘Weet je nog Scarlett, dat -ie naar Velsen was gefietst? Hij zei dat hij had genoten van de Hoogovens. De vormgeving van zware industrie kon ‘m wel bekoren. Ik hield maar voor me dat ik twintig jaar daar in de walserij heb gewerkt. Industrie kan er dan mooi uitzien, er werken is gruwelijk. Ik woonde in bij mensen in Spaarndam en moest drie jaar lang langs het Noordzeekanaal naar mijn werk fietsen. En daarna weer terug, hè. Ik haatte dat fietsen zo erg. Nou ja, één keertje niet dan. Ik had net kennis aan Trijntje. Het was een warme voorjaarsdag en de avond ervoor waren we naar Gejaagd door de Wind geweest. Trijn was helemaal kapot van die film. We fietsten langs mijn werk en reden zo door naar zee. Afijn, het was zwoel, de zon ging vuurrood onder en de duinpan was diep. Op zeker dat daar onze Clark is verwekt. Het schemerde dan wel toen we terug fietsten maar ik zag de blos op haar wangen.
O, wat ben ik in de fabriek gepest met haar naam. “Heeft ze een verkeerde wissel genomen, is er thuis weer eentje ontspoord, is ze het spoor bijster, komt ze nog wel eens een beetje op stoom?”, gek werd ik ervan. Maar toen Clark bij haar crematie sprak en zei dat Trijn was uitgerangeerd, jankte ik.’


‘Ah kijk, hij gaat met de slee. Hij zegt dat hij die stationcar gekocht heeft voor het fietsen. Dan kan de fiets zo achterin. Laatst was -ie naar Duitsland om daar te gaan fietsen. Met die BMW was hij binnen het uur in Elten! Toen Clark nog klein was zijn we eens een week naar het Zwarte Woud geweest. De familie van het Gasthof had in de schuur een kinderfiets staan. Clark was net zes en draaide maar om dat fietsje heen. De baas vroeg mij of wij de fiets een middagje wilden lenen, dan kon ik die kleine leren fietsen. Ik met hem naar een grasveld waar het zacht vallen was. Ik hield hem rechtop, een duwtje en dat jong fietste zo weg! Mijn  trots won het van de verbazing. Geloof me Scarlett, het was het gelukkigste moment uit mijn leven. Hij wilde natuurlijk over de weg naar het hotel fietsen en toen ging het helemaal mis. Al slingerend ging hij hard onderuit en had schaafwonden van boven tot onder. Wat heb ik daar een gelazer over gehad met Trijntje. Ik ging van de hemel naar de hel in precies 300 meter.’


‘Niet zo piepen Scarlett, ik zwaai nog even naar de buurman. Ja ja, je krijgt zo je zaadjes, dear. Dat stomme gefiets ook; frankly my dear, I don’t give a damn, hahahaha.’


Thomas van der Steen


donderdag 26 februari 2015

Gisela, organiste in Altenkirchen

       
  1209BZ Gisela

 Gisela, organiste in Altenkirchen



Tijdens mijn tochten fiets ik alleen. Dat lijkt eenzaam maar daar denk ik heel anders over. Soms heb ik bijvoorbeeld zin om, wind mee en de pedalen geselend, een uur lang non-stop door een lege polder te stuiven. Om even later te stoppen bij elke kerk, ieder park, standbeeld, geveltje of uitzicht om er rustig kuierend van te genieten. Als ik enthousiast vertel over mijn uitstapjes en mensen vragen of ze eens een keer mee mogen wimpel ik dat af. Maar nadat ik tweemaal schreef over Rügen ( zie eerdere berichten ) wilde mijn vrouw daar samen fietsen. Voor haar maak ik graag een uitzondering.


Het eiland Rügen ligt 300 kilometer ten noorden van Berlijn in de Oostzee. Voor Nederlandse begrippen groot, twee keer Texel, en grillig van vorm. Met de auto bereiken we via een corridor een deel van Rügen, het schiereiland Wittow. In Altenkirchen huren we onze fietsen voor de dag en sturen naar de kust. De hele dag houden we de zee aan onze rechterhand. Het is hier een heus eldorado voor fietsers, brede schelpenpaden en geen auto te bekennen. Het pad loopt steil naar beneden naar Vitt, een oud vissersdorpje van witte huizen met rieten daken. Op het strand eten we gerookte makreel. Gelukszoekers waden door de branding op zoek naar stenen met een gat erin. Door erosie en de structuur van vuursteen ontstaan er gaten en de mens zou de mens niet zijn om er mythische krachten aan toe te dichten. Eeuwige voorspoed en welbevinden tot de dood.


De weg stijgt naar het hoogste punt van een krijtrots. Op het grasveld staan twee vuurtorens, de oudste is vierkant, plomp en opgetrokken uit rode baksteen. De nieuwe, rond en slank, werd al in 1902 in gebruik genomen, wat het woord nieuwe aanmerkelijk relativeert. Het gras houdt ineens op, een meter verder zinkt de rotswand 50 meter de diepte in. We staan op Kaap Arkona, het noordelijkste puntje van het eiland. De hemel is wolkenloos en het uitzicht fantastisch. Veerboten glijden statig voorbij, ze zijn onderweg naar Baltische bestemmingen als Riga, Liepaja en Klaipeda. Als ik recht vooruit kijk zou ik Wallander voor zijn strandhuis kunnen zien zitten. Het Zweedse Ystad ligt in een rechte lijn naar het noorden.


We stappen weer op de fiets en ronden de kaap. Dit is het ruige gedeelte van het eiland. Hei en lage struiken voeren hun eeuwige strijd met de nooit aflatende wind. Na een paar kilometer doemt een dennenbos op. Tussen de stammen zien we 30 meter lager een uitnodigend strand liggen. Leeg, uitgestrekt en maagdelijk baadt het strand in de zon. Gestriemd door bramenstruiken bereiken we het witte zand en de blauwe zee. Het water is fris maar de zon vergoedt alles.


We hebben nu de noordelijke helft van het schiereiland gezien en fietsen terug naar Altenkirchen. Voordat we de fietsen bij de verhuurder inleveren bezoeken we de kerk. De deur staat open en rechtsvoor zit een eenzame jongeman op een houten kerkbank. Plotseling vult de kerk zich tot in de verste hoek met orgelklanken. Als aan de grond genageld hap ik naar adem. Onmiskenbaar Toccata con Fuga van Bach. Toen ik 16 was ging ik naar Rollerball, een film over sport in de toekomst. De film begon met Bach’s orgelstuk en het kippenvel stond minutenlang op mijn armen.
Zo plotseling als het begon zo abrupt stopt het. ‘Na und Detlev, schneller?’. ‘Mach mal Gisela’, antwoordt de eenzame man. Gisela speelt het iets sneller en stopt weer onverwachts. De achter haar orgel verscholen organiste vraagt haar Detlev nu of het lager moet. Of harder, of meer labiaal of meer linguaal. Op alles zegt Detlev tegen de onzichtbare vrouw; ‘viel besser Gisela, fabelhaft.’
De sobere inrichting van het kerkje verveelt snel en de kans dat Gisela een stuk onafgebroken voor ons speelt acht ik nihil.


Fietsen met zijn tweeën bleek ook leuk, Rügen is dan ook een fantastisch eiland. Het zwemmen in een lege zee en zonnen op een verlaten strand was paradijselijk. De sacrale ervaring in de kerk zal ik nooit vergeten; vanaf die dag is Toccata en Fuga in d-moll ( BWV 565 ) mijn ringtone.


Thomas van der Steen