zondag 23 juni 2013

What's in a name?



Laila Ezzeroili schreef een artikel in de krant van zaterdag om uit te leggen waarom ze is gekapt met integreren. Het is volgens haar zinloos, de autochtonen blijven de kleur van je huid nou eenmaal zien. En dat is de kern van de mislukte multiculturele samenleving: juist de autochtonen willen niet integreren. 
Coca Cola Nederland voert momenteel een promotie met de zogenaamde 0,5 PET flesjes. Op de wikkel staat een voornaam. Onmiddellijk ging ik op zoek naar mijn eigen naam Thomas. Die had ik in een mum gevonden en speurde verder naar de namen van mijn naasten. Tijdens die vergeefse tocht naar de niet alledaagse namen van mijn vrouw en die van mijn kinderen viel me nóg iets op. Geen Mohammed, Aicha, Hakan of Ebru te bekennen. Ik bezocht de website van de firma om de lijst van namen te vinden en het hoe en waarom van de samenstelling. De 150 gedrukte namen zijn de populairste Nederlandse namen onder jongeren geboren tussen 1983 en 1999, volgens de gegevens van Meertens Instituut. Deze lijst, net als die van de kinderbijslaguitvoerder SVB, bevat nooit ogenschijnlijk veel voorkomende allochtone voornamen. De verklaring is eenvoudig, Mohammed kun je op eindeloos verschillende wijzen schrijven. Mohamed, Mohamet, Muhammad, Mohammad, enzovoort, enzovoort.
Ik vind 't een gemiste kans van een bedrijf dat als doel heeft zoveel mogelijk flesjes frisdrank te verkopen. Ze hadden toch Stijn en Merel kunnen inruilen voor Mo en Fatima?
Integratie moet van twee kanten komen.
Thomas van der Steen

donderdag 6 juni 2013

4 mei 2013, Alex' eerste schnabbel

       4 mei 2013, Alex’ eerste schnabbel



-Op 14 mei 1940 keerden mijn vader en zijn ouders terug naar hun huis op de Dijkstraat 596 in Rotterdam. Ze hadden urenlang in de schuilkelder gezeten. Ondertussen verzengden de door de Heinkels gestrooide brisantbommen de binnenstad. Dus bij thuiskomst stond er geen huis meer, er lag alleen maar puin. Zoals mijn oma altijd zei. ‘Thomas, alles was platgebombardeerd’.


-Op de dag af een jaar later werd Glasgow gebombardeerd. Er vielen 528 doden en mijn moeder werd spoorslags naar ‘t platteland geëvacueerd.


-Onze buurman van nummer 28 moest op 6 juni 1944 zijn linkerbeen achterlaten op Sword Beach in Normandië.


-De andere buurman verloor niet alleen zijn schip in de Javazee op 27 februari 1942, maar vooral zijn eer en trots.


-De Poolse vriend van mijn ouders raakte op 1 september 1939 zijn vaderland kwijt aan de Duitsers en later aan de Russen. Hij is na de Poolse capitulatie naar Engeland gevlucht en heeft in ‘44 Breda bevrijd. Nooit is hij naar zijn thuisland teruggekeerd.


-Ik ben geboren op 22 oktober 1957 en ken al 55 jaar alleen maar vrede. Maar de verhalen in mijn jeugd waren doordesemd van oorlog.


Het is 4 mei 2013, de zon schijnt maar de wind wakkert aan tot kracht 6. Ik verlaat het dorp Abcoude en fiets langs de Holendrecht westwaarts. De wind strak van voren maar ik begin net dus ik kan ‘t aan. Na 3 kilometer splitst het riviertje, ik ga noordwaarts. Nu heet het water Bullewijk. Ondanks het feit dat we het koudste voorjaar sinds 1962 meemaken heeft de natuur zich toch opgericht. In deze polder die doorkruist wordt door sloten, stroompjes en rivieren is ‘t groen geëxplodeerd.
Ik bereik Ouderkerk aan de Amstel, eerst nieuwbouwwijken daarna de eeuwenoude kern van het dorp. Ik wil Beth Haim, de oudste (1614) Joodse begraafplaats van Nederland bezoeken. Maar de rustplaats is gesloten, ‘t is zaterdag dus sjabbat.
Onverrichter zake verlaat ik het mooie dorp aan de Amstel. Weer moet ik optornen tegen de potige westenwind. Niet in de welige natuur maar tussen de strenge en zakelijke architectuur van de Oranjebaan. In Amstelveen rijd ik naar het C. P. Broersepark. Daar staat het Indië Monument. Een zwart beeldhouwwerk van mensen zonder gezichten. Ze kijken allen verlangend naar de hemel. Smachten ze naar de hemel, Amerikaanse vliegtuigen, parachutisten of een verlossende god?


Van Amstelveen fiets ik via het Amsterdamse Bos naar de Bosbaan. Wat een genot zeg, dat immense park. Op de hoofdpaden wordt uiteraard druk gesport en gewandeld. Maar op de kleine tussenpaadjes kom ik weinigen tegen. Boven een grasveldje hangt een lila waas, het gras is bezaaid met pinksterbloemen. Als ik langs de Bosbaan fiets moet ik stevig doortrappen om een ‘vrouwen acht’ bij te houden. De trainer naast me tettert onophoudelijk in zijn megafoon. De aanwijzingen zijn abracadabra voor me. Haal door, dat snap ik nog wel. Maar ik hoor ook: ‘pik in Roline, denk aan je contrast Claudia, zet weg, zet weg Olivia!’
Aan de Bosbaan ligt het Dachau Monument. Dachau was het eerste grote concentratiekamp. Het monument bestaat uit twee taxushagen van 60 meter lang. Ze staan tweeënhalve meter uit elkaar. Je loopt tussen de hagen over een stenen pad. In de stenen staan de namen van 500 concentratiekampen gebeiteld. Veel overbekende namen vanzelfsprekend maar meer onbekende. Ik zoek naarstig naar de naam Beaune-la-Rolande en vind ‘m. Daaruit ontsnapte Sarah van het boek ‘Haar naam was Sarah’ om haar broertje te redden.
Voor het monument ligt vanwege de datum een tiental bloemstukken. Ik lees de linten van de afzenders. De Duitse ambassade, Stichting ‘40-’45, Auschwitz Comité, afzenders die je kan verwachten. Helemaal links een prachtig geel blauw boeket. Het lint heeft dezelfde kleuren en de afzender blijkt de gemeente Hilversum. Tot op heden sta ik voor een raadsel wat mijn stad voor connectie heeft met het kamp.


Aan het eind van de roeibaan duik ik de stad in. Mijn volgende doel is het Museumplein. Ik fiets langs het Olympisch Stadion en over de Willemsparkweg. Aan die weg ligt broodjeszaak Mech, ik ben weer getipt door het Parool. Thuis had ik al een broodje uitgezocht. Maar voor me bestelt een jonge vrouw het broodje van de maand. ‘Want zo’n lekker broodje heb ik nog nooit gegeten, moet je ook proberen’, spreekt ze me toe. Volgzaam als ik ben bestel ik ook zo’n broodje. In de zon op het schuine gras van het ‘Ezelsoor’ open ik begerig het doosje dat ik heb gekregen. Twee geroosterde witte boterhammen met filet americain, kappertjes, ei en mosterdmayo, goddelijk.


Op het Museumplein staat het Zigeunermonument. Ik weet wat het moet voorstellen maar had ‘t onvoorbereid er niet in gezien. Een beeld van een man en een vrouw met twee kinderen die vluchten voor vuur. Omdat het beeld van zwart brons is zie je niet dat het bedoelde vuur vuur is.
Iets verderop staat het Ravensbrückmonument, ter nagedachtenis aan de slachtoffers van het vrouwenkamp. Een roestvrij stalen kolom met erom heen 11 panelen, ook van staal. Op één van de panelen de tekst: ‘voor haar die tot het uiterste neen bleef zeggen tegen het fascisme’.


Het volgende monument dat ik wil zien ligt in het Wertheimpark. Tussen mij en dat park ligt het net opgeleverde Rijksmuseum. Mijn plan was om door het Pijbes-tunneltje te gaan maar de naamgever belet me de toegang. Ok Wim, ik fiets wel om je museum heen.
Het Auschwitzmonument valt me tegen. Het is veel kleiner dan ik verwachtte en de condens achter het glas maakt ‘t er niet mooier op. De tekst ‘Nooit meer Auschwitz’ is nauwelijks te lezen. Bovendien is de entourage allesbehalve stemmig. Op de parkbanken hebben zich de ‘usual suspects’ verzameld. Morsige oude alcoholisten met pluizige baarden en ongewassen jongelui met gescheurde T-shirts. Of je nou in Barcelona, Parijs, Londen of hier bent, ze hebben altijd een hond bij zich. En die zit niet aan een riem maar aan een touw vast.


Via het Waterlooplein fiets ik naar de Dam. De voorbereidingen voor de Nationale Dodenherdenking zijn in volle gang. Veel militairen, hekken en herrie. Vanavond is de eerste officiële klus voor onze nieuwe koning. Ik wacht de plechtigheid niet af. Traditioneel ben ik twee minuten stil op het Rosarium in Hilversum. Langs de vredig stromende Amstel fiets ik met wind in de rug naar Abcoude.
Om de dag vol treur- en droefenis ietwat opgeruimd af te sluiten mijn vier ontmoetingen:
-de blonde vrouw die me dat zalige broodje aanraadde was Froukje de Both. De kittige en blonde TV-babe zag er in het echt veel échter uit.


-bij de tramhalte voor het Concertgebouw stond Eddy Terstall in een sjofele jas op vervoer te wachten.
Voor zijn Simon, de Nederlandse ‘Terms of Endearment’ had hij wel een Oscar verdiend.


-een overstekende voetganger - zonder te kijken - kon ik met moeite ontwijken. Toen ik ‘m vervloekte bleek ‘t Daniel Uneputty ex-voorzitter van de Hell’s Angels te zijn. Van zijn gedrag heb ik verder geen punt gemaakt.


-een breed glimlachende scooteraar op de Dam was Danny Blind. Zijn prijzenkast thuis en op de club staan bol.
Thomas van der Steen




donderdag 23 mei 2013

Daar sta je dan!

                            

                              



                                  Daar sta je dan

Dat ik niet naar Amsterdam zou gaan op 30 april was al zeker. Je door een krioelende menigte van een miljoen onderdanen wurmen is niets voor mij. Maar ik was benieuwd hoe de stad zich opmaakte voor de troonswisselling. Daarom fietste ik de zaterdag ervoor - 27 april, de volgende Koningsdag - naar de hoofdstad,  epicentrum der plechtigheden.

De Maxis bij Muiden is een ideale plek om over te stappen van auto naar fiets. Een mega-parkeerplaats naar Amerikaans model. Bij de XL-winkels kan de benodigde leeftocht voor de fietstrip worden ingeslagen. Onmiddellijk achter deze plek ligt de Diemer Vijfhoek. Als je de ogen sluit voor de Nuon-centrale een mooie plek met dijkjes en luierende lammetjes. Je steekt zo door naar Ijburg en bent in Amsterdam voor je ‘t weet. Je moet wel over de Diemerzeedijk - een soort start/landingsbaan die uitnodigt tot fietsen, rennen of skaten. Langs het Amsterdam-Rijnkanaal snel ik naar de Nesciobrug. Behalve dat het de langste voetgangers- en fietsbrug van Nederland is moet ‘t ook wel de steilste oprit hebben. Zwoegend worstel ik me naar boven en in de remmen knijpend daal ik af. Weer langs het kanaal en ook hier wordt volop gesport. Er wordt voornamelijk door vrouwen langs het water gerend. Ze ogen jong in hun strakke trainingsbroeken. Hun haar wipt bij elke stap op. Dat verraadt hun vorderende leeftijd.. Onder al die blonde, bruine, zwarte en rode kapsels gloort onverbiddelijk de grijze uitgroei.

Door de Indische Buurt koers ik naar de binnenstad. De stad zet zich schrap voor het komende feest. Overal hangen vlaggen op gevels met de overlappende hoofdletters W en A. Naarmate ik de Dam nader word het almaar drukker in de straten. Met op het centrale plein de climax. Behalve de duizenden toeristen wemelt het ook van de politieagenten en de werkmannen. Agenten te paard torenen hoog boven de menigte uit. Op het dak van de Bijenkorf balanceert een enorme kroon. Vlak voor het Nationaal Monument wordt de mediatribune opgebouwd. Hier zullen Kysia Hekster en haar buitenlandse collega’s dinsdag verslag doen. Het skelet van de stellage staat er maar net en de eerste camera’s worden al naar boven gehesen. Achter de hekken die voor het Paleis staan wordt hard gewerkt.
“Hé Thomas, wat doe jij hier?  Je bent op de fiets, man!”, klinkt ‘t achter me. De firma Motshagen Glas en Verf uit Hilversum blijkt verantwoordelijk voor de constructie van het ‘Glazen Huis’. Danny, de glazenier van dienst,  komt ‘s ochtends altijd zijn zware van Nelle bij mij kopen. Achter zijn glas zitten over drie dagen Astrid Kersseboom en Rob Trip 14 uur opgesloten. Na de begroeting wens ik ‘m succes. “Wel kijken hoor, dinsdag”, roept hij me na.  Ik denk niet dat ik daar omheen kan, Danny.

In PS, het weekendmagazine van Het Parool, staat de rubriek ‘Broodje van de Week’. De gekste en lekkerste broodjes komen voorbij. Nu ik in Amsterdam ben grijp ik mijn kans. Ik herinner me een broodje pastrami bij ‘t Kuyltje. De broodjeszaak bevindt zich vlak bij de Dam in de Gasthuismolensteeg. Een ongelooflijk klein zaakje maar ‘t broodje is onovertroffen. De pastrami gaat in ‘t oventje, wordt daarna overgoten met mosterdsaus en afgetopt met oude kaas, augurk en gesnipperde ui. Op de dichtstbijzijnde brug, met de benen bungelend boven de rondvaartboten, eet ik mijn pistoletje. Blijkbaar met een gelukzalige glimlach op mijn gezicht gebeiteld want de toeristen in de boot tonen veel opgestoken duimen.

Na de lunch fiets ik naar de ponten over ‘t Ij. De voormalige Shell-toren is van top tot teen gevaandeld met de kroningsvlag. Aankomende dinsdag zal de nieuwe koning hier toch wel enigszins bescheiden langs varen? Je hebt groot, levensgroot, king-size maar deze vlag is buitenproportioneel!
In Noord fiets ik een klein rondje maar ook hier zijn gebouwen, winkels en huizen versierd. Bij Eye (mooi hoor, dat maagdelijk witte gebouw op een gifgroen grasveld ) gekomen zie ik dat ook hier door tientallen kerels hard wordt gewerkt. Vrachtwagens worden gelost. Een kraan stapelt zwarte units op tot een gigantische videowall. Hier zal de nieuwe koning toegezongen worden. Op dit immense scherm zullen de zangers in Ahoy verschijnen en het natiesplijtende lied ten gehore brengen. Ik hoop maar dat onze nieuwe vorst dan verlegen naar de punten van zijn schoenen zal staren.

Daar sta ik dan en of ik er klaar voor ben? Amsterdam in ieder geval wél.

donderdag 25 april 2013

De onderkinnen van de meisjes


 Roekeloosheid....privilege der jeugd.


Omdat ik in mijn vorige bijdrage oudere fietsers heb gedist is ‘t nu de beurt aan de jeugd. Het gedrag van beide bevolkingsgroepen staat haaks op elkaar. Cicero zei reeds: onbezonnenheid hoort bij de jeugd zoals voorzichtigheid dat doet bij ouderdom. Het verschil in levenshouding zit ‘m eenvoudig in de toenemende broosheid der beenderen.

Vier scènes:

1. Op een winderige dinsdag in november fiets ik van Spakenburg door de polder naar Amersfoort. Het is hier zo plat als een dubbeltje. Van veraf zie ik een groep jongeren uit tegengestelde richting komen. Een pelotonnetje van 15 à 16 kids. Ongetwijfeld door hun ouders naar de gereformeerde Guido de Brès scholengemeenschap in Amersfoort gestuurd. Hun god trakteert ze op een straffe tegenwind. De V-formatie die vogels aannemen wordt door ‘t groepje gekopieerd. De punten van de V bestrijken de hele breedte van het fietspad. Ik nader, gejaagd door de wind, sneller dan ik hoopte. Ondanks het feit dat ik met meer dan de helft van de pubers oogcontact heb gehad verandert er niks aan hun opstelling. Wat moet ik doen, rechts houden of juist links? Een spelletje lijkt een erezaak te worden. Om alle opties open te houden ga ik op de as van het pad rijden. Misschien hebben ze vandaag hoofdstuk 14 van Exodus behandeld. ‘Mozes hief zijn staf en hand en de zee spleet’. Maar de aanvoerder geeft geen krimp en blijft stug doortrappen. Op het laatste moment duik ik rechts van de groep met 38 km/uur over het gras erlangs. Jezus, ik had nooit gedacht dat ik degene zou zijn die uitweek. Mijn ultieme keuze veroorzaakt commotie aan die flank. Sturen in elkaar en zeker drie kinderen op het asfalt. De rest stopt niet eens en fietst onverdroten door naar hun vissersdorp. Flarden van onvervalst gevloek dragen door de wind ver. Zo zie je maar, die 30 km iedere dag en door weer en wind vormt je karakter. Onverzettelijk tot het bittere einde. De gevallenen rapen hun fiets op en zetten zich weer in beweging.

2. Op de eerste sneeuwvrije dag van 2013 fiets ik samen met tientallen Utrechtse studenten op. Zij komen van de Uithof, ik van het Museumkwartier. We trekken in een lange stroom richting het centrum. Zij willen, net als ik, de lunch gebruiken op de door een brutale zon gelardeerde Oude Gracht. Niet zo verwonderlijk; het is zo lang koud geweest. Al append, pingend, sms’end en ouderwets bellend trekt de horde door de binnenstad. Ook ik ben inmiddels slaaf geworden van mijn smartphone maar dit slaat alles. Werkelijk alle meisjes turen, veel ook nog met oortjes in, op hun schermpje. Op de kruising van de Herenstraat met de Nieuwegracht gebeurt het onvermijdelijke. Eén van de onbezonnen dames knalt vol op een rood-wit paaltje. Met een boog wordt ze over het stuur gelanceerd. Drie objecten raken tegelijk de straat. De fiets klettert, het lichaam ploft en de Iphone stuitert. Luide verwensingen slakend krabbelt de studente weer op en kijkt met ontzetting naar haar gesterde schermpje.
Binnenkort gaan er doden vallen natuurlijk. En dan komen er ongetwijfeld spotjes op TV van de Rijksoverheid. Met nadruk zal er gehamerd worden op het levensgevaarlijke gedrag van de jeugd. Maar dat is nou precies waar de jongeren niet gevoelig voor zijn. De dood staat lichtjaren van ze af, ze zijn immers onkwetsbaar. Beter kunnen ze een filmpje maken van een paar op hun telefoon loerende jonge fietsters. En dan inzoomen op die dubbele onderkinnen. Dat zal ze leren!!

3. Een woensdagmiddag, eind maart, de basisscholen zijn uit en de kids vrij. Twee jongetjes zijn op het schoolplein blijven spelen. Met hun fietsjes draaien ze op hun allerhardst, eindeloos rondjes. In een scherpe bocht raakt één met zijn trapper de grond. Slingerend om overeind te blijven knalt hij de ander ongenadig van zijn zadel. Tussen schommel en klimrek ligt nu een triest hoopje vlees en metaal. De gordiaanse knoop ontwart zich als vanzelf. Kirrend van plezier hervatten de kereltjes hun spelletje.

4. Een druilerige dinsdagmorgen, half april, het stoplicht springt op groen. Uiterst behoedzaam trekken de fietsers zich in gang. In een flauwe bocht op de Kerkbrink komt de fietser voor me ten val. Met een van pijn vertrokken gezicht zoekt hij hulp bij de omstanders. Er wordt gebeld, de grijze man blijft op de glimmende klinkers liggen. De angst van het slachtoffer wordt getemperd door de ambulancebroeder maar ik weet beter. Heup gebroken!
Thomas van der Steen

donderdag 11 april 2013

Als ik tweemaal met mijn fietsbel bel


Ding-dong bel gevraagdThomas van der Steen

1012BZ Fietsbelbel
Het allerliefst fiets ik door de natuur, heerlijk in mijn eentje. Door de structuur van mijn werkrooster gaat me dat redelijk af. Op doordeweekse dagen, als alle andere zwoegers zwoegen, heb ik vrij spel. Ik werk wel in het weekend als het buitenleven overspoeld wordt door recreanten. Want een gestage kilometervreter als ik komt ‘t best tot zijn recht met een vrije doortocht. Een regelmatig tempo, suizende bandjes en een voorbijflitsend decor van bomen, sloten, weilanden en boerderijen. Bijna niets is zo ergerlijk als wanneer mijn malende ritme verstoord wordt door treuzelende voorgangers. Ronduit onverdraaglijk is het om te moeten remmen.

Door de toenemende vergrijzing van Nederland en de hinderlijke fitheid van de grijsaards wordt het steeds drukker op de fietspaden. Zeker op mijn vrije dagen, zij hebben immers alle tijd. En ondanks gesputter van Henk Krol voorzien van geld. Hun fietsen glimmen alsof ze net uit de glossy folders rollen. Behalve dat zijn ze uitgerust met de allermodernste GPS-apparatuur. Tien jaar geleden peddelden ze nog rond met fietskaarten op het stuur, geplasticeerd uit angst voor spatjes regen. Nu blikkeren de duurste Garmins, Mio’s en Tomtoms in de zon. Terwijl zij tot de generatie behoren die nog gedegen topografie hebben gehad op de Lagere en Middelbare School. Zo vertelde mijn vader eens over de volgende opgave bij een aardrijkskundeproefwerk. ‘Stel, je vaart van Meppel naar Dordrecht, welke rivieren, kanalen en andere waterwegen bevaar je?’ Gooi ‘t maar in mijn pet, ouwe!

De recreanten zijn met zijn tweeën, vieren of met heel veel. Als echtpaar uiteraard op hetzelfde merk fiets. Vaak ook nog gehuld in uniseks kleding. Als kwartet altijd in de samenstelling mannnetje-mannetje, vrouwtje-vrouwtje met de natuurlijke leiders voorop. Bij een grote groep gepensioneerden valt ook meteen de leider van het roedel op. Hij tempert het gegiechel van de dames en temt de branie van de heertjes. Ze mogen zich dan als jonge honden gedragen, de gevorderde leeftijd eist zijn tol. Hun gehoor is onmiskenbaar minder. Vooral geluid dat van achter komt bereikt de oude oren niet meer. De schelpen vangen wel veel wind maar geen schelle, ongeduldige klanken. Ik kan bellen met mijn bel wat ik wil – éénmaal, tweemaal, eindeloos – het heeft geen enkel effect. Ze blijven breed waaierend en gezellig keuvelend mij de doorgang beletten. Misschien komt het door de hoge tonen die een traditionele fietsbel voortbrengt. Die hoge toon overwint hun gehoordrempel niet meer. Mijn ongeduld – niet noodzakelijk een teken van jeugd maar toch – speelt dan hoog op. Als ik een grijze wolk boven rijwielen in de verte ontwaar leg ik me neer bij een korte vertraging. Vroeger had je van die enorme ding-dong bellen. Laat ik maar eens op Marktplaats kijken of ze nog bestaan.

Zo lijkt ‘t of ik een grondige hekel heb aan oude fietsers. Maar wat is oud? Ooit vroeg ik een dokter wat hij ‘teveel drinken’ vond. ‘Iedereen die meer drinkt dan ik’, was zijn nuchtere antwoord. Zo vind ik iedereen oud die ouder is dan ik. En derhalve iedereen die jonger is dan ik, jong. Ik kom fietsende jeugd in de natuur zelden tegen. Maar de anarchistische chaos veroorzaakt door slingerende jeugd in een studentenstad is weer een ander verhaal. Daarover later meer.
 
****************************
De tekening is van Annemiek Meijer

donderdag 28 maart 2013

Zeg maarrr....


Met de bij hem horende pathos mocht Jan Mulder woensdag bij DWDD zijn ergernissen van de maand maart behandelen. Hij kondigde aan dat het over taal zou gaan, een door hem vaak bereden stokpaardje. En wat stond op één? Het veelgebruikte 'zeg maar'. Het is maart 2013, Jan. Als de dag van gisteren herinner ik me wanneer dit virus voor het eerst rondwaarde. We moeten terug naar januari 1991. Desert Storm, de bevrijding van Koeweit, stond op het punt van beginnen. In het kader van de 'totale gezamenlijkheid' werkten alle actualiteitenrubrieken samen op de zenders van de publieke omroepen. 'Anchor' was Charles Groenhuijsen. Urenlang moest hij improviseren terwijl er eigenlijk niets gebeurde. Hij begon, om zijn zinnen meer betekenis en lengte te geven, met het nietszeggende 'zeg maar' te strooien. Het is nooit meer verdwenen, Charles, bedankt!


Thomas van der Steen

ps tezelfdertijd nam hij ook van CNN het begrip 'vals alarm' over. In correct Nederlands is dat 'loos alarm' maar dat terzijde.

dinsdag 12 maart 2013

5 maart 2013

Hoe lang de winter ook duurt, het is zeker dat de lente volgt

Vorige week dinsdag beleefden we de warmste 5 maart ooit. Godzijdank een vrije dag en vanzelfsprekend ging ik een toertje maken. Ik zal mijn best doen om alle voorjaarsclichés te vermijden. Maar alles wat bij zo’n eerste lentedag hoort kwam voorbij. Met een nieuwe Museumjaarkaart in de achterzak fietste ik naar Utrecht. In Museum Sonnenborgh is een fototentoonstelling over de zon en zijn stelsel.

Utrecht ligt loodrecht ten zuiden van Hilversum. Onderweg liggen de dorpen Hollandsche Rading, Maartensdijk en Groenekan. Het is voor tienen als ik vertrek en de kou ritselt nog vlak boven de heidegrond. Weliswaar een klein beetje, maar toch. Over hei en door bos kom ik in Hollandsche Rading terecht. Een dorpje op de grens van Noord-Holland en Utrecht. Dat is precies wat de naam behelst; rading is een oud woord voor grens. Het fietspad naar Maartensdijk loopt tussen een tennisclub en een basisschool door. De bel voor de kleine pauze klinkt. Het gekrijs van de bevrijde kinderen is oorverdovend. Je leest wel eens over buren die zich beklagen over schoolpleinrumoer. Ik deed die klagers altijd af als azijnzeikers maar nu krijg ik begrip. Je zal die schelle kreten drie keer per dag moeten verdragen. Opgelucht draai ik ‘t pad op naar Maartensdijk.

Dat is kaarsrecht en heeft een weids uitzicht. Weilanden alom en heel in de verte de verder onhoorbare A27. Ik bezoek de plaatselijke begraafplaats die onlangs is uitgebreid. Naast de oude velden ligt een vers grasveld omzoomd door coniferen die tot mijn knieën reiken. Er is nog maar één graf, dat van Bernardus Jacobus Woorts. Ben ligt hier wel erg alleen. Ik hoop dat hij binnenkort door een paar stokoude dorpsgenoten vergezeld wordt. Dood zijn is vast geen pretje, maar zó eenzaam de eeuwigheid moeten trotseren is ronduit zielig.

Het fietspad loopt verder zuidwaarts naar Groenekan. Prachtige lanen met villa’s, twee tennisverenigingen én een hockeyclub. Een heus villadorp met een mooi park. Ik herken rododendrons rond een fraaie vijver en besluit hier zeker terug te komen in hun bloeiseizoen.

Het landelijke is, als ik Groenekan verlaat, snel verdwenen. De rafelranden van Utrecht reiken ver. Als knooppunt van ons spoorwegennet is dat onvermijdelijk. Laverend tussen snelwegen, intercity’s, geluidswallen, sprinters maar ook sloten, weilanden en boerderijen kruis ik de stadsgrens. Eerst door de wijk Tuindorp maar de voorgenomen route voert me door twee parken. Park Bloeyendaal en daarop het schitterende stadspark Wilhelmina. Ik weet dat Utrecht ook minder fraaie wijken als Lombok en Ondiep heeft maar hier waan ik mij in Wassenaar.

Sterrenwacht Sonnenborgh ligt in het Museumkwartier, het wemelt hier van die gebouwen. Vandaar dat ik ineens oog in oog sta met NS loc 2498. De robuuste rode locomotief staat buiten het Spoorwegmuseum te glimmen op een draaischijf. De stoere loc is in ruste maar had vast gehakt gemaakt van bevroren wissels en bladeren op de rails. Aan de overkant van de Maliesingel zie ik de witte telescoopkoepel scherp afsteken tegen de blauwe lucht. Ik blijk de enige bezoeker maar dat betekent niet dat ik alleen ben. Werkmannen, de directeur en zijn assistenten, studenten en schoonmakers krioelen door de zalen. De ruimtefoto’s waar ik voor kom zijn mooi maar ik had ze allen thuis al gezien. De oude collegezaal en de bibliotheek maken meer indruk op me. Door de houten collegebanken straalt het zaaltje serieuze, klassieke wetenschap uit. Mijn academische avontuur - twee hele maanden - staat haaks op de ernst waarmee hier werd gestudeerd. Net als de bibliotheek, met een omloop met houten balustrade op de eerste verdieping, dat doet.
Via een gammele trap kom ik in de koepel waar de telescoop als een kanon door de gleuf van het dak steekt. Er valt niets te zien, lichter wordt de hemel niet op deze 5 maart.
Omdat het KNMI op deze plek is opgericht is er een tentoonstellingszaal voor weerkunde. Daar wordt op ouderwets aanschouwelijke wijze alles over temperatuur, neerslag en winden uitgelegd.

Voor de lunch fiets ik naar het centrum. Langs de Domtoren bereik ik de Oudegracht. Heel studerend Utrecht heeft besloten juist hier te verzamelen. De binnenstad barst werkelijk uit zijn voegen. Net als de kledingstukken die vanochtend overhaast van de ‘zomerstapel’ zijn gegrist. Iedereen heeft de jas los of uit, lente waart rond als een virus. Martin Bril heeft de term rokjesdag naar eigen zeggen gemunt. Mijn klasgenoten en ik hadden het eind jaren zeventig al over bloesjesdag. Deze onverwachte zonnige dag komt daar nét te vroeg voor. Ik zie wel hotpants met maillots of broekje met legging zoals ik van mijn dochter moet zeggen. Met de benen bungelend boven de gracht geniet ik van mijn ‘Steak and cheese-sandwich’. Iedereen met mij knipoogt naar de zinderende zon.

Om te voorkomen in de valkuil van clichés over de lente te trappen moet ik stoppen. Ik fiets weer naar huis via een iets andere route. Daar kom ik een geïmproviseerd bord tegen; HONDEN A/D LIJN I.V.M. ZWANGERE SCHAPEN.
Eén schitterende dag maakt nog geen lente, een zwanger schaap natuurlijk wel.
Thomas van der Steen
http://www.sonnenborgh.nl/page=site.home