donderdag 25 april 2013

De onderkinnen van de meisjes


 Roekeloosheid....privilege der jeugd.


Omdat ik in mijn vorige bijdrage oudere fietsers heb gedist is ‘t nu de beurt aan de jeugd. Het gedrag van beide bevolkingsgroepen staat haaks op elkaar. Cicero zei reeds: onbezonnenheid hoort bij de jeugd zoals voorzichtigheid dat doet bij ouderdom. Het verschil in levenshouding zit ‘m eenvoudig in de toenemende broosheid der beenderen.

Vier scènes:

1. Op een winderige dinsdag in november fiets ik van Spakenburg door de polder naar Amersfoort. Het is hier zo plat als een dubbeltje. Van veraf zie ik een groep jongeren uit tegengestelde richting komen. Een pelotonnetje van 15 à 16 kids. Ongetwijfeld door hun ouders naar de gereformeerde Guido de Brès scholengemeenschap in Amersfoort gestuurd. Hun god trakteert ze op een straffe tegenwind. De V-formatie die vogels aannemen wordt door ‘t groepje gekopieerd. De punten van de V bestrijken de hele breedte van het fietspad. Ik nader, gejaagd door de wind, sneller dan ik hoopte. Ondanks het feit dat ik met meer dan de helft van de pubers oogcontact heb gehad verandert er niks aan hun opstelling. Wat moet ik doen, rechts houden of juist links? Een spelletje lijkt een erezaak te worden. Om alle opties open te houden ga ik op de as van het pad rijden. Misschien hebben ze vandaag hoofdstuk 14 van Exodus behandeld. ‘Mozes hief zijn staf en hand en de zee spleet’. Maar de aanvoerder geeft geen krimp en blijft stug doortrappen. Op het laatste moment duik ik rechts van de groep met 38 km/uur over het gras erlangs. Jezus, ik had nooit gedacht dat ik degene zou zijn die uitweek. Mijn ultieme keuze veroorzaakt commotie aan die flank. Sturen in elkaar en zeker drie kinderen op het asfalt. De rest stopt niet eens en fietst onverdroten door naar hun vissersdorp. Flarden van onvervalst gevloek dragen door de wind ver. Zo zie je maar, die 30 km iedere dag en door weer en wind vormt je karakter. Onverzettelijk tot het bittere einde. De gevallenen rapen hun fiets op en zetten zich weer in beweging.

2. Op de eerste sneeuwvrije dag van 2013 fiets ik samen met tientallen Utrechtse studenten op. Zij komen van de Uithof, ik van het Museumkwartier. We trekken in een lange stroom richting het centrum. Zij willen, net als ik, de lunch gebruiken op de door een brutale zon gelardeerde Oude Gracht. Niet zo verwonderlijk; het is zo lang koud geweest. Al append, pingend, sms’end en ouderwets bellend trekt de horde door de binnenstad. Ook ik ben inmiddels slaaf geworden van mijn smartphone maar dit slaat alles. Werkelijk alle meisjes turen, veel ook nog met oortjes in, op hun schermpje. Op de kruising van de Herenstraat met de Nieuwegracht gebeurt het onvermijdelijke. Eén van de onbezonnen dames knalt vol op een rood-wit paaltje. Met een boog wordt ze over het stuur gelanceerd. Drie objecten raken tegelijk de straat. De fiets klettert, het lichaam ploft en de Iphone stuitert. Luide verwensingen slakend krabbelt de studente weer op en kijkt met ontzetting naar haar gesterde schermpje.
Binnenkort gaan er doden vallen natuurlijk. En dan komen er ongetwijfeld spotjes op TV van de Rijksoverheid. Met nadruk zal er gehamerd worden op het levensgevaarlijke gedrag van de jeugd. Maar dat is nou precies waar de jongeren niet gevoelig voor zijn. De dood staat lichtjaren van ze af, ze zijn immers onkwetsbaar. Beter kunnen ze een filmpje maken van een paar op hun telefoon loerende jonge fietsters. En dan inzoomen op die dubbele onderkinnen. Dat zal ze leren!!

3. Een woensdagmiddag, eind maart, de basisscholen zijn uit en de kids vrij. Twee jongetjes zijn op het schoolplein blijven spelen. Met hun fietsjes draaien ze op hun allerhardst, eindeloos rondjes. In een scherpe bocht raakt één met zijn trapper de grond. Slingerend om overeind te blijven knalt hij de ander ongenadig van zijn zadel. Tussen schommel en klimrek ligt nu een triest hoopje vlees en metaal. De gordiaanse knoop ontwart zich als vanzelf. Kirrend van plezier hervatten de kereltjes hun spelletje.

4. Een druilerige dinsdagmorgen, half april, het stoplicht springt op groen. Uiterst behoedzaam trekken de fietsers zich in gang. In een flauwe bocht op de Kerkbrink komt de fietser voor me ten val. Met een van pijn vertrokken gezicht zoekt hij hulp bij de omstanders. Er wordt gebeld, de grijze man blijft op de glimmende klinkers liggen. De angst van het slachtoffer wordt getemperd door de ambulancebroeder maar ik weet beter. Heup gebroken!
Thomas van der Steen

donderdag 11 april 2013

Als ik tweemaal met mijn fietsbel bel


Ding-dong bel gevraagdThomas van der Steen

1012BZ Fietsbelbel
Het allerliefst fiets ik door de natuur, heerlijk in mijn eentje. Door de structuur van mijn werkrooster gaat me dat redelijk af. Op doordeweekse dagen, als alle andere zwoegers zwoegen, heb ik vrij spel. Ik werk wel in het weekend als het buitenleven overspoeld wordt door recreanten. Want een gestage kilometervreter als ik komt ‘t best tot zijn recht met een vrije doortocht. Een regelmatig tempo, suizende bandjes en een voorbijflitsend decor van bomen, sloten, weilanden en boerderijen. Bijna niets is zo ergerlijk als wanneer mijn malende ritme verstoord wordt door treuzelende voorgangers. Ronduit onverdraaglijk is het om te moeten remmen.

Door de toenemende vergrijzing van Nederland en de hinderlijke fitheid van de grijsaards wordt het steeds drukker op de fietspaden. Zeker op mijn vrije dagen, zij hebben immers alle tijd. En ondanks gesputter van Henk Krol voorzien van geld. Hun fietsen glimmen alsof ze net uit de glossy folders rollen. Behalve dat zijn ze uitgerust met de allermodernste GPS-apparatuur. Tien jaar geleden peddelden ze nog rond met fietskaarten op het stuur, geplasticeerd uit angst voor spatjes regen. Nu blikkeren de duurste Garmins, Mio’s en Tomtoms in de zon. Terwijl zij tot de generatie behoren die nog gedegen topografie hebben gehad op de Lagere en Middelbare School. Zo vertelde mijn vader eens over de volgende opgave bij een aardrijkskundeproefwerk. ‘Stel, je vaart van Meppel naar Dordrecht, welke rivieren, kanalen en andere waterwegen bevaar je?’ Gooi ‘t maar in mijn pet, ouwe!

De recreanten zijn met zijn tweeën, vieren of met heel veel. Als echtpaar uiteraard op hetzelfde merk fiets. Vaak ook nog gehuld in uniseks kleding. Als kwartet altijd in de samenstelling mannnetje-mannetje, vrouwtje-vrouwtje met de natuurlijke leiders voorop. Bij een grote groep gepensioneerden valt ook meteen de leider van het roedel op. Hij tempert het gegiechel van de dames en temt de branie van de heertjes. Ze mogen zich dan als jonge honden gedragen, de gevorderde leeftijd eist zijn tol. Hun gehoor is onmiskenbaar minder. Vooral geluid dat van achter komt bereikt de oude oren niet meer. De schelpen vangen wel veel wind maar geen schelle, ongeduldige klanken. Ik kan bellen met mijn bel wat ik wil – éénmaal, tweemaal, eindeloos – het heeft geen enkel effect. Ze blijven breed waaierend en gezellig keuvelend mij de doorgang beletten. Misschien komt het door de hoge tonen die een traditionele fietsbel voortbrengt. Die hoge toon overwint hun gehoordrempel niet meer. Mijn ongeduld – niet noodzakelijk een teken van jeugd maar toch – speelt dan hoog op. Als ik een grijze wolk boven rijwielen in de verte ontwaar leg ik me neer bij een korte vertraging. Vroeger had je van die enorme ding-dong bellen. Laat ik maar eens op Marktplaats kijken of ze nog bestaan.

Zo lijkt ‘t of ik een grondige hekel heb aan oude fietsers. Maar wat is oud? Ooit vroeg ik een dokter wat hij ‘teveel drinken’ vond. ‘Iedereen die meer drinkt dan ik’, was zijn nuchtere antwoord. Zo vind ik iedereen oud die ouder is dan ik. En derhalve iedereen die jonger is dan ik, jong. Ik kom fietsende jeugd in de natuur zelden tegen. Maar de anarchistische chaos veroorzaakt door slingerende jeugd in een studentenstad is weer een ander verhaal. Daarover later meer.
 
****************************
De tekening is van Annemiek Meijer

donderdag 28 maart 2013

Zeg maarrr....


Met de bij hem horende pathos mocht Jan Mulder woensdag bij DWDD zijn ergernissen van de maand maart behandelen. Hij kondigde aan dat het over taal zou gaan, een door hem vaak bereden stokpaardje. En wat stond op één? Het veelgebruikte 'zeg maar'. Het is maart 2013, Jan. Als de dag van gisteren herinner ik me wanneer dit virus voor het eerst rondwaarde. We moeten terug naar januari 1991. Desert Storm, de bevrijding van Koeweit, stond op het punt van beginnen. In het kader van de 'totale gezamenlijkheid' werkten alle actualiteitenrubrieken samen op de zenders van de publieke omroepen. 'Anchor' was Charles Groenhuijsen. Urenlang moest hij improviseren terwijl er eigenlijk niets gebeurde. Hij begon, om zijn zinnen meer betekenis en lengte te geven, met het nietszeggende 'zeg maar' te strooien. Het is nooit meer verdwenen, Charles, bedankt!


Thomas van der Steen

ps tezelfdertijd nam hij ook van CNN het begrip 'vals alarm' over. In correct Nederlands is dat 'loos alarm' maar dat terzijde.

dinsdag 12 maart 2013

5 maart 2013

Hoe lang de winter ook duurt, het is zeker dat de lente volgt

Vorige week dinsdag beleefden we de warmste 5 maart ooit. Godzijdank een vrije dag en vanzelfsprekend ging ik een toertje maken. Ik zal mijn best doen om alle voorjaarsclichés te vermijden. Maar alles wat bij zo’n eerste lentedag hoort kwam voorbij. Met een nieuwe Museumjaarkaart in de achterzak fietste ik naar Utrecht. In Museum Sonnenborgh is een fototentoonstelling over de zon en zijn stelsel.

Utrecht ligt loodrecht ten zuiden van Hilversum. Onderweg liggen de dorpen Hollandsche Rading, Maartensdijk en Groenekan. Het is voor tienen als ik vertrek en de kou ritselt nog vlak boven de heidegrond. Weliswaar een klein beetje, maar toch. Over hei en door bos kom ik in Hollandsche Rading terecht. Een dorpje op de grens van Noord-Holland en Utrecht. Dat is precies wat de naam behelst; rading is een oud woord voor grens. Het fietspad naar Maartensdijk loopt tussen een tennisclub en een basisschool door. De bel voor de kleine pauze klinkt. Het gekrijs van de bevrijde kinderen is oorverdovend. Je leest wel eens over buren die zich beklagen over schoolpleinrumoer. Ik deed die klagers altijd af als azijnzeikers maar nu krijg ik begrip. Je zal die schelle kreten drie keer per dag moeten verdragen. Opgelucht draai ik ‘t pad op naar Maartensdijk.

Dat is kaarsrecht en heeft een weids uitzicht. Weilanden alom en heel in de verte de verder onhoorbare A27. Ik bezoek de plaatselijke begraafplaats die onlangs is uitgebreid. Naast de oude velden ligt een vers grasveld omzoomd door coniferen die tot mijn knieën reiken. Er is nog maar één graf, dat van Bernardus Jacobus Woorts. Ben ligt hier wel erg alleen. Ik hoop dat hij binnenkort door een paar stokoude dorpsgenoten vergezeld wordt. Dood zijn is vast geen pretje, maar zó eenzaam de eeuwigheid moeten trotseren is ronduit zielig.

Het fietspad loopt verder zuidwaarts naar Groenekan. Prachtige lanen met villa’s, twee tennisverenigingen én een hockeyclub. Een heus villadorp met een mooi park. Ik herken rododendrons rond een fraaie vijver en besluit hier zeker terug te komen in hun bloeiseizoen.

Het landelijke is, als ik Groenekan verlaat, snel verdwenen. De rafelranden van Utrecht reiken ver. Als knooppunt van ons spoorwegennet is dat onvermijdelijk. Laverend tussen snelwegen, intercity’s, geluidswallen, sprinters maar ook sloten, weilanden en boerderijen kruis ik de stadsgrens. Eerst door de wijk Tuindorp maar de voorgenomen route voert me door twee parken. Park Bloeyendaal en daarop het schitterende stadspark Wilhelmina. Ik weet dat Utrecht ook minder fraaie wijken als Lombok en Ondiep heeft maar hier waan ik mij in Wassenaar.

Sterrenwacht Sonnenborgh ligt in het Museumkwartier, het wemelt hier van die gebouwen. Vandaar dat ik ineens oog in oog sta met NS loc 2498. De robuuste rode locomotief staat buiten het Spoorwegmuseum te glimmen op een draaischijf. De stoere loc is in ruste maar had vast gehakt gemaakt van bevroren wissels en bladeren op de rails. Aan de overkant van de Maliesingel zie ik de witte telescoopkoepel scherp afsteken tegen de blauwe lucht. Ik blijk de enige bezoeker maar dat betekent niet dat ik alleen ben. Werkmannen, de directeur en zijn assistenten, studenten en schoonmakers krioelen door de zalen. De ruimtefoto’s waar ik voor kom zijn mooi maar ik had ze allen thuis al gezien. De oude collegezaal en de bibliotheek maken meer indruk op me. Door de houten collegebanken straalt het zaaltje serieuze, klassieke wetenschap uit. Mijn academische avontuur - twee hele maanden - staat haaks op de ernst waarmee hier werd gestudeerd. Net als de bibliotheek, met een omloop met houten balustrade op de eerste verdieping, dat doet.
Via een gammele trap kom ik in de koepel waar de telescoop als een kanon door de gleuf van het dak steekt. Er valt niets te zien, lichter wordt de hemel niet op deze 5 maart.
Omdat het KNMI op deze plek is opgericht is er een tentoonstellingszaal voor weerkunde. Daar wordt op ouderwets aanschouwelijke wijze alles over temperatuur, neerslag en winden uitgelegd.

Voor de lunch fiets ik naar het centrum. Langs de Domtoren bereik ik de Oudegracht. Heel studerend Utrecht heeft besloten juist hier te verzamelen. De binnenstad barst werkelijk uit zijn voegen. Net als de kledingstukken die vanochtend overhaast van de ‘zomerstapel’ zijn gegrist. Iedereen heeft de jas los of uit, lente waart rond als een virus. Martin Bril heeft de term rokjesdag naar eigen zeggen gemunt. Mijn klasgenoten en ik hadden het eind jaren zeventig al over bloesjesdag. Deze onverwachte zonnige dag komt daar nét te vroeg voor. Ik zie wel hotpants met maillots of broekje met legging zoals ik van mijn dochter moet zeggen. Met de benen bungelend boven de gracht geniet ik van mijn ‘Steak and cheese-sandwich’. Iedereen met mij knipoogt naar de zinderende zon.

Om te voorkomen in de valkuil van clichés over de lente te trappen moet ik stoppen. Ik fiets weer naar huis via een iets andere route. Daar kom ik een geïmproviseerd bord tegen; HONDEN A/D LIJN I.V.M. ZWANGERE SCHAPEN.
Eén schitterende dag maakt nog geen lente, een zwanger schaap natuurlijk wel.
Thomas van der Steen
http://www.sonnenborgh.nl/page=site.home

donderdag 28 februari 2013

I love the smell of EPO in the morning

              “I love the smell of EPO in the morning”   

Het is wel goed zo, na mijn Siberische tocht van 2 weken geleden.
Onbekommerd rondfietsen doe ik pas weer als de permafrost definitief Nederland verlaten heeft.
Als de vogels mij weer fluitend begeleiden als ik ‘s ochtends vroeg op weg ben naar mijn werk.
Als de Afrikaanse krantenjongens geen spijt meer hebben dat ze ooit ‘de grote sprong voorwaarts’ naar Europa hebben gemaakt.
Tot het zover is moet ik verhalen over mijn passieve liefde voor het fietsen. Nadat ik in 1996 te Den Bosch, Miguel Indurain recht in de ogen had gekeken was ik verkocht. Je kon de door miljoenen aanbeden helden gewoon aanraken! Ik ben nou eenmaal een onvervalste stargazer dus in de Tour de France lagen mijn kansen. Elk jaar als het routeboek wordt gepubliceerd kijk ik snel naar de noordelijkste punt op de kaart in de Ronde. Daarna overweeg ik of het redelijk is om te gaan.
Zoals bijvoorbeeld op:

9 juli 2001- Antwerpen, samen met mijn zoon Timothy. Toentertijd 8 jaar en ik vond ‘t tijd om hem kennis te laten maken met een internationaal evenement. De finish ligt op de Linkeroever, het gedeelte van Antwerpen dat vergelijkbaar is met Noord in Amsterdam.
Omdat we vroeg vertrekken op deze maandag zijn we al vóór de lunch in Antwerpen. De Linkeroever is zo weids en leeg dat we overal, en gratis kunnen parkeren.
De winnaar zou pas om half 5 zijn voorwiel over de meet duwen dus we hebben alle tijd. We lopen door de St-Annatunnel, onder De Schelde door, naar de oude stad. De voetgangers- en fietstunnel is uit 1933 en ligt 32 meter onder de waterspiegel. Om zo diep te geraken kun je met een lift of met de authentieke houten roltrappen. De kooi van de lift is immens, er kunnen 40 man in. Als ‘ie vol is lijkt het of je met de kompels de schacht afdaalt naar de mijn. Dat gevoel wordt versterkt door ‘t vreemde Vlaamse dialect dat in de kooi rondzingt. Beneden gekomen kijken we een schier eindeloze, wit betegelde buis in. De tunnel lijkt onmetelijk maar een informatiebord geeft aan dat de mysterieus verlichte koker 572 meter lang is. Voor deze dag wist ik niet van het bestaan af; nu loop ik er bij elk bezoek aan de Sinjorenstad doorheen. Een bezienswaardigheid die ontbreekt in elke gids.

Op de Keyserlei eten we mosselen met frieten en zoeken daarna ijverig naar een supermarkt. Want er is wel een voorwaarde verbonden aan deze expeditie. Of eigenlijk twee. Ik mag vanzelfsprekend niet thuiskomen zonder Timothy maar ook niet zonder echte Belgische mayonaise. Teruglopend naar de tunnel heb ik dus in mijn ene hand de warme knuist van mijn zoon en in de andere een snijdend hengsel van een plastic tasje vol met potten Vandemoortele mayonaise. Nu is de tunnel van begin tot eind toe gevuld met schuifelende, speculerende en discussiërende koersliefhebbers. Een onafzienbare stroom mannen, en een enkele vrouw, trekt door de pijp naar de meet aan gene zijde van de Schelde.

Als we bovenkomen blijkt het uitstapje van de Tourorganisatie naar België een goede zet. Een ondoordringbare massa mensen heeft zich verzameld in de buurt van de finishlijn. Het overbekende Franse commentaar van Radio Tour schalt over de mensenzee. Gelukkig heeft het grote scherm inmiddels zijn intrede gedaan. Van afstand zien we daarop een groep sprinters en horen de namen: Dekkèr, Knavèn, Basso, Wautèrs, Bramatí en O’Grady. De snelste is een in ‘t oranje geklede renner; hoopvol gokken wij op Erik Dekker. Ten onrechte, het gejuich is daar te oorverdovend voor. Het is Marc Wauters die heeft gewonnen, de Belg in Nederlandse dienst,. En het is een dubbelslag, hij mag de Gele Trui ook nog aan. Het enthousiaste publiek dringt en masse naar voren. Ze willen allemaal hun Marc in ‘t geel zien. Wij drummen onbedoeld mee met de horde. Totdat de menigte gekeerd wordt door hekken en mannen met indrukwekkende uniformen. De sfeer wordt grimmig, de federale Rijkswacht zichtbaar nerveus. Dan blijkt waarom wij niet verder mogen. Er is een brede corridor naar het podium gecreëerd. Koning Albert II mag daar handjes schudden met de winnaar en de verzamelde hotemetoten. Omdat het volk op afstand wordt gehouden mort het vervaarlijk. Als de koning later terugschrijdt naar zijn limousine wordt hij uitgejouwd door zijn eigen onderdanen. Hij blijft maar glimlachen en wuiven, ‘t heeft wel wat van de laatste bordesscène van Ceausescu in 1989. Zo onnozel als de koning is, zo doortastend zijn z’n begeleiders. De vorst wordt door hen tot spoed gemaand en afgevoerd naar zijn paleis.

Door de opeenhoping van mensen in de buurt van het podium is het elders stukken rustiger. Timothy ziet van ons als eerste de destijds heilige Lance Armstrong voor de dopingcaravan zitten. Hij geeft ontspannen een interview aan de rond hem geschaarde journalisten. Dat hij indertijd ontspannen was kunnen we ons nu goed voorstellen. Van top tot teen afgevuld met verboden middelen, bijna iedere koersdag gecontroleerd en geen één keer positief.
Slenterend zoeken we de auto op en overpeinzen onze ervaringen van de dag.
Een onvoorziene tunnelvisie, een winnende Belg in België, een heuse koning mét kleren aan maar zonder applaus, een heiligverklaarde sportheld met een wassen neus én.....zes potten échte Belgische mayonaise. Niet slecht voor vader en zoon  stargazer op maandag.
Thomas van der Steen
                

donderdag 14 februari 2013

            Fletionis ad Laurio, nimis frigidum est.
                    ( tussen Vleuten en Woerden is het té koud )

Alles is relatief, met name snelheid en temperatuur. Einstein bedacht er een wet voor maar die hadden we helemaal niet nodig. Stop je handen maar onder de koude kraan na een lange, wantloze en winterse fietstocht. Het water zal aanvoelen als kokend.
Als je na WC-bezoek terugloopt naar je vliegtuigstoel lijkt ‘t of je 5 kilometer per uur loopt maar ‘t zijn er 1000.
Toen het op 8 januari jongstleden wel 8 graden was dacht ik; “dat is al gauw 20 graden warmer dan twee weken geleden, ik ga fietsen”. Hemeltjelief, dat heb ik geweten. Vol goede moed stapte ik op in Vleuten. Verkleumd tot op het bot stapte ik af in Woerden: ik had me voorshands warm gerekend.

Het plan was een tocht maken langs de 2000 jaar oude grens tussen beschaving en barbarij. Die ‘limes’  ( Latijn voor grens ) liep in Nederland van Nijmegen, langs de Rijn naar Katwijk. Dat de toenmalige Rijn tegenwoordig de Oude Rijn heet is alleszeggend. Langs die natuurlijke grens hadden de Romeinen legerplaatsen ( castella ) gebouwd. Ik was benieuwd of de resten van de klassieke bezetting van ons land nog zichtbaar waren in het landschap. Nou, ik zal kort zijn; ik zag helemaal niks. Diep weggedoken in mijn jas wapende ik me met alles wat ik in mij had tegen de kou. Het vroor dan niet maar het was in alle opzichten guur en ijzig. Je kan natuurlijk na 300 meter omdraaien en denken dat ‘t niks wordt vandaag. Maar ik zou mezelf toch warm fietsen! Na 6 kilometer was ‘t duidelijk dat dát niet ging gebeuren. Aan de horizon lag Woerden, dat zal ik toch wel halen?
Op karakter bereikte ik de stadsgrens. De bebouwde kom bood dekking tegen de snijdende westenwind. Ik had -letterlijk- de grens bereikt en zou in het gerieflijke voorjaar nog eens proberen.

De koffie en saucijzenbroodjes van de kiosk in het station maakten me weer mens. Ik liet me echter niet verleiden om weer op de fiets te springen. In plaats daarvan besloot ik een klein rondje te wandelen in het oude stadje. Vlakbij het station ligt het Kasteel van Woerden gebouwd in de 15e eeuw. In de gewelven - klinkt koud maar nu was alles aangenaam - trof ik een bijzondere expositie. Foto’s van Martin Kers; ervaren fotograaf met een bijzondere blik.
http://www.fotogalerieindegewelven.nl/

Ach, nu ik er toch was kon ik ook nog wel een begraafplaats bezoeken. Aan de voet van een monumentale watertoren ligt het katholieke kerkhof. Elke rustplaats onthult wel iets aparts. In Lage Vuursche trof ik de naam Stoffel. Nu liggen er twee Apollonia’s in één rijtje graven. Uit de jaren 80 ken ik Apollonia 6, met hun hit Nasty Girl. En in Hilversum is een gyros-tent die zo heet. Verder had ik er nog nooit van gehoord. Thuis heb ik de naam gecheckt in de voornamenbank van het Meertens-instituut. In de afgelopen 9 jaar zijn er 8 baby’s geboren die de naam Apollonia hebben gekregen. Dat is nog eens een aparte naam. Maar vijf lettergrepen, dat wordt Polly. Als je geluk hebt tenminste.

Terug naar Vleuten ga ik met de trein, fiets aan de hand. De heenreis was een helletocht. De terugreis hemels; op tijd, zoevend en.....warm.
Thomas van der Steen

zondag 10 februari 2013

Frankrijk, zomer 2011

Souvenirs de vacances d'un Hollandais en France:

Die belachelijke nieuwe gewoonte van Nederlandse jongens om een onderbroek onder hun zwembroek te dragen. De verstikkende after-shavewalm die achterblijft als een groep 'echte Hollandse' jongens voorbijloopt. En dat ze de minste gelegenheid aangrijpen om hun torso te ontbloten.

Het oorverdovende geklapper van de reclameslierten achter de vliegtuigjes die langs de kust vliegen. Met een mededeling die verder niet aan mij besteed is. Dat de Swedish House Maffia vanavond optreedt of dat er een schuimparty in de Indigo is. Misschien dat ze dichterbij vliegen, het was me nooit zo opgevallen.

Dat ook in Frankrijk en Spanje aanmerkelijk minder wordt gerookt dan voorheen.

Dat Franse Iphone-bezitters er een ongelooflijk lullig beschermhoesje omheen doen. Als ze hun telefoon gebruiken bungelt dat hoesje ontzettend uncool onder hun kin.

Dat ik een boek van een Gouden Strop-winnaar heb gelezen, Charles den Tex < mooie naam, dat wel > en dat de noodzaak, het plot, de schrijfstijl, geloofwaardigheid en afloop mij totaal ontging.

Dat niemand meer naar me luistert. Ik word zelfs onderbroken - niet om in te gaan op iets wat ik aan het zeggen was. Nee, om over iets totaal irrelevant en triviaals te beginnen.

Dat ik door het boek van Bill Carter tot tranen werd geroerd. Het is een onbescheiden egodocument over zijn verblijf in Sarajevo toen die stad werd belegerd door de Serviërs. De Chetniks bestookten de stad 3 jaar lang vanaf de heuvels onophoudelijk met granaten en met kogels door sluipschutters. Door Bill's inzet kreeg hij Bono < ook al zo'n ijdeltuiterige narcist > zover dat er tijdens concerten van U2 interviews met Serajevoërs via de satelliet zichtbaar waren. Zo maakte destijds de MTV-generatie kennis met de apocalyptische situatie in Bosnië. Dat beïnvloedde de publieke opinie dus de politiek en uiteindelijk de oorlog. Bill Carter is een held, zonder enige twijfel, maar hij had zijn daden door een ander moeten laten opschrijven.


Dat de jeugd 'ziek' als krachtterm gebruikt. En dat Hagenezen inderdaad in elke zin het woord kanker zeggen. En de Haagse jeugd dus dienovereenkomstig kankerziek als verwensing bezigt.......dat is pas ziek!

Dat internet niet meer is weg te denken, ook op vakantie niet.
Spanje, 2006, nada.
In 2007, op Corsica, gingen Tim en ik naar de yachtingclub om op hun computer ( betaald) de uitslagen van de Tour te bekijken.
In Bayonne, 2008, had alleen de receptie van de camping een computer maar ik mocht er niet op. Smeergeld, bier of flirts, niets hielp.
Van de campingbaas in Panguitch, Utah, mocht ik in 2009 zijn computer gebruiken. Hij waarschuwde me vooraf dat ie wel traag was. Dat was een understatement, ik had beter een postduif kunnen sturen dan een email.
Vorig jaar in Italië waren er 2 computers op de camping. Je kon voor veel te veel geld een code kopen voor een kwartier internet. Maar er zaten altijd pubermeisjes op die stoeltjes giechelend te Hyven met hun lelijke puistige vriendjes in Nederland.
Dit jaar hadden we drie laptops bij ons, een Iphone, een Blackberry, een Nokia met internet en Wifi gratis op heel de camping.

Dat alle Nederlandse meisjes van die hele korte spijkerbroekjes dragen. En allemaal hun haar 'stijlen'. En een druppelzonnebril, ook wel pilotenbril genoemd, op hun neus planten. Meer hierover hieronder. Ze ontkennen altijd en eeuwig dat ze een mode volgen. Ze zijn een rondlopend stijlicoon maar ze dragen het echt niet omdat het in de mode is maar omdat ze het 'gewoon mooi' vinden.

Dat Mireille Guiliano's boek 'Waarom Franse vrouwen niet dik worden' uit 2004 achterhaald is. Er is veel veranderd in 7 jaar. Net als in de rest van het rijke Westen hebben de Fransen, en zeker de vrouwen, inmiddels ook allemaal veel te veel vet op hun botten.

Dat ik de accessoire zonnebril nooit heb begrepen. Om tegen de zon in te kijken heeft Onze Lieve Heer ons wimpers geschonken. Ik kan de ogen van zonnebrildragers niet zien. Ogen zijn de spiegels van de ziel. Daardoor komen ze mij op zijn minst over als angstige verbergers van die ziel. Of botweg onsympathiek, dat kan ook. Spiegelzonnebrildragers zijn 'hors categorie', zij begrijpen niets van intermenselijk contact. Maar als ik zo'n nitwit spreek kan ik wel zien of mijn haar goed zit.
De mensen die er met zo'n modieuze zonnebril met WIT montuur bijlopen gaan zich zó schamen over een paar jaar. 'Waarom lieten jullie mij er als een clown bijlopen?'

Dat wij 20 jaar geleden in Frankrijk boodschappen deden bij de hypermarché's Intermarché, Leclerc of Super U. Die merken zijn gemarginaliseerd en tegenwoordig hebben Casino en Carrefour bijna het duopolie. Auchan is een uitzondering. Die hyperwinkel kom je opeens tegen, als je 't niet verwacht.

Dat er meer Citroën DS'en <de befaamde snoek> in Hilversum voorkomen dan in heel Frankrijk. In de drie weken dat ik in la douce France was, zag ik er precies 1 ( zegge één ) terwijl ik vandaag op een kort fietsrondje door de mediastad er al 5 zag.


Dat er een 'Blues Brothers-hoedjes' hausse is dit jaar. Of zwart óf wit en ze zien eruit als zijn ze van plastic.

Dat ik Spaans geen mooie taal vind. Het ongenadige gerrrrrratel dringt als een cirkelzaag mijn oren binnen. De eerste keer dat het me opviel was toen ik met Bee in Londen Sotheby's bezocht. Een zeer beschaafd en zo te zien rijk gezin overlegde of papa ging bieden op het linker- of rechterschilderij. Hun gesprek leek op een snauwerige kibbelpartij. Deze zomer in het prachtige kustplaatsje Llança werd ik getroffen door twee roddelende kassameisjes. Llança ligt in Catalonië en het Catalaans is veel zachter dan het Spaans, neigend naar het Frans. Maar deze dames spraken onvervalst Castilliaans. Als twee vijandige mitrailleurnesten bestookten ze elkaar meedogenloos met onbarmhartige klanken.


Dat ik 22 dagen in de buitenlucht heb geleefd en geen één keer de maan heb gezien, curieus, is ie er nog wel?

Dat de tattoo-mode nog niet over zijn hoogtepunt is. Tattoo-mode is trouwens een contradictio in terminis. Mode verdwijnt, tatoeages niet.

Dat Fransen over het algemeen wellevender lijken dan ooit. Ik heb er maar een stuk of 5 à 6 doodgewenst. Een opzienbarend record.

Dat topless zonnen nog bestaat. Ik dacht dat het iets was van de 70- en 80er jaren maar nee, het bestaat nog of wéér. Voor mij hoeft het niet. Een vrouwenborst is mooi in een decolleté of liefdevol omklemd door je tedere vingers. Niet als een pannenkoek op een op haar rug liggende zonaanbidster. Het doel van het topless zonnen, een egaal gebronsd lichaam, is ook al niet aan mij besteed. Ik merkte dat begin jaren zeventig toen de erotische plaatjes van blote vrouwen uit de preutse VS mij meer prikkelden. Het contrast van hun witte erogene zones met de rest van lichaam vond ik meer tot de verbeelding sprekend. Bovendien wijzen ze de weg in een slechtverlichte slaapkamer als koplampen in een maanloze woestijnnacht.

Thomas van der Steen