donderdag 2 maart 2017

De wereld van Peter Stuyvesant (1)


    


De wereld van Peter Stuyvesant (1)


Op mijn 14e had ik een krantenwijk en eindelijk geld. Ik kon de LP’s kopen die ik wilde en ging vaak naar de bioscoop. Zo zag ik in één week een onvervalste klassieker, Amarcord van Fellini, en een pulpfilm die een cultklassieker werd, Enter the Dragon van Bruce Lee. Onbevangen was ik, en werd nog niet gehinderd door goede smaak. Ik verheugde me op de reclame vooraf, die van Peter Stuyvesant. Stoere mannen, met snorren, vlogen met hun knappe vrouwen in een Concorde de hele wereld over. Ze keken vanaf het dak van de Twin Towers over New York, skieden in Cortina d’Ampezzo en snorkelden rond Guadeloupe. En maar paffen die gasten, zo’n leven wilde ik ook!


Een handvol decennia later sta ik op spoor 5 van station Hilversum. Het is vrijdagmiddag tegen vijven en de binnenrollende trein gaat naar Schiphol. Door soaps en natuurdocumentaires wil ik met eigen ogen Australië zien en de eerste stap is gezet.
De Boeing 777 vertrekt 22.00 uur en ben ruim op tijd, het wachten begint. In de rij voor de incheckbalie, voor de bagage drop off, met mijn paspoort in een zweterige hand geklemd voor de douane en uiteindelijk voor de security check. Dat je schoenen uit moeten ervaar ik als aanranding. Daarna verzamelen bij de gate waar ik de gezichten van mijn medepassagiers taxeer op terroristisch risico. Maar 75% is Arabisch want de tussenstop naar Melbourne is Dubai dus……...inshallah.


De luchtvaartmaatschappij is Emirates en de stewardessen van dienst dragen hoofddoeken. Nou ja, aan hun rode pet hangt langs hun rechterslaap een witte sjaal, meer een symbolisch gebaar. Naar Dubai is zesenhalf uur, een niemendalletje vergeleken met het traject erna. Maar het is meteen afzien. De beklemmende ruimte, de suizende herrie van de motoren, het doorlopend naar de wc gaan van de anderen en de beloofde wifi doet het niet. Ook nog het continue gewrik van die metalen rechthoeken op wieltjes om iedereen te voorzien van een diner; het is inmiddels middernacht. Salade niçoise, lamscurry en chocolade mousse met framboos toe. Klinkt goed maar het is flauw en weinig. Het geklooi met plastic bestek en het zonder brede ellebogen kunnen eten bederft de eetlust nog het meest.
Mijn blik is gericht op het vluchtplan voor me, het vliegtuigje kruipt over de Zwarte Zee, we zijn nog niet op de helft.


Als ik Dubai International Airport betreed ben ik voor het eerst in Azië. Zo warm als het buiten is, zo koel is de ontvangst. Een legertje kleine Filipina’s dirigeert ons door middel van geschreeuw en geagiteerde armgebaren naar de ruimte waar we geacht worden te zijn. Omdat ik 4 uur moet wachten op vertrek heb ik me voorgenomen om Burj Khalifa te bezoeken. De toren is 828 meter hoog, de hoogste van de wereld. Hij ligt 2 metrostations hiervandaan, zo gepiept. Maar ik mag de transferruimte niet verlaten. Als ik mijn plan ontvouw zegt de man in uniform dat ik dan heen en terug door de douane moet en dat er geen enkele garantie is dat ik mijn aansluitende vlucht haal. Teleurgesteld vraag ik of ik ergens naar buiten kan om het wereldwonder te aanschouwen maar hij schudt het hoofd. ‘But a window to look at the tower?’, vraag ik ten einde raad. ‘Sorry sir, no windows at Dubai Airport.’
Gedesillusioneerd draai ik me om naar mijn tijdelijke gevangenis. Om me heen zie ik Rolex, Victoria’s Secret, Heidsieck en een winkel waar ze goud per strekkende meter verkopen maar het is en blijft een gevangenis. Geen Peter Stuyvesant te bekennen overigens.


Thomas van der Steen






donderdag 16 februari 2017

                                                   
                    
             Van 1803 naar 1813 en verder
                                       

Nog geen 100 meter na Laan van Meerdervoort 1803 kom ik alweer een huisnummer boven de 1000* tegen: Kijkduinsestraat 1190, het blijkt minder bijzonder dan ik dacht.
Kijkduin was afgelopen zomer in het nieuws vanwege de massale toeloop van Pokémonjagers. Maar het is eind september, alle scholen en studies zijn weer begonnen en het is een doordeweekse dag. Toch wemelt het van de - sorry, ietwat oneerbiedig - Pokémongolen. Volwassenen, ook bejaarden, zwalken met strakke blik op hun schermpjes over de boulevard. In de schaduw van de draaimolen klontert een groepje halvegaren. De uitbaatster heeft stopcontacten en de smartphones hangen gretig aan de opladers. De namen van de zeldzaamste Pokémon bepalen de conversatie. Pas maar op Zapdos en Mewtwo, ze komen eraan!

Ik laat de dwazen achter me en fiets naar het noorden. Behalve twee AOW’ers op E-bikes kom ik tot Scheveningen niemand tegen. Na het stadse gejakker en de hype van Kijkduin is de rust van het Westduinpark weldadig. Met een straffe zuidwester in de rug vlieg ik over het schelpenpad. Al gauw bereik ik de havens en als het Circustheater opdoemt sla ik rechtsaf, terug naar Den Haag.

Overal wappert het stadswapen van Scheveningen, drie haringen met een kroontje boven hun kop. De lijnrechte weg naar de stad ziet er prachtig uit. Veel bomen en de tram rijdt over een tapijt van gras. De straat wordt op de flanken begrensd door parken, links de Bosjes en rechts Zorgvliet. Als de stad begint, begint-ie goed. Een robuust hek schermt het Vredespaleis af. De strenge bewaakster laat me er niet door voor een foto. Juristen uit Afrika en Azië mogen wel doorlopen om oorloghitsers en hun beulen voor het Internationaal Hof van Justitie te slepen.
De stad is sowieso internationaal gekleurd door de vlaggenparade aan de gevels van de ambassades. Onderweg naar het centrum zie ik die van Argentinië, Rusland, Cuba, Vietnam, Guatemala en een van onbescheiden formaat, juist die van Griekenland. Erna rij ik over een plein met in het midden een groots monument. De Nederlandse Maagd viert de overwinning op de Fransen en de stichting van Nederland, het plein heet dan ook Plein 1813. Het decor dat bij een hoofdstad hoort kende ik uit Brussel, Parijs en Berlijn maar bestaat dus ook in Nederland. Amsterdam is kneuterig, Rotterdam zakelijk en modern maar Den Haag heeft historische grandeur. Dat wordt nog een benadrukt als ik langs de ingang van Paleis Noordeinde kom. Het ruiterstandbeeld van Willem van Oranje houdt fier de wacht. Op de sokkel staat Gulielmo Primo, vertaald Willem de Eerste. Zo kennen wij de Zwijger niet en doet me denken aan een discussie die ik had met een Spanjaard over de Tachtigjarige Oorlog. Ik wilde weten hoe zij die op school hadden geleerd en vroeg naar Karel V, die ik voor het gemak Carlos Quinto noemde. Na langdurig onbegrip bleek hij in Spanje Carlos I te heten.

Op weg naar het station fiets ik over het Binnenhof en dat maakt ook enorme indruk. Twee bewindslieden glippen vanuit hun dienstauto’s door de deur naar hun werkkamers maar ik herken ze niet aan hun achterhoofd. De twee torens die ik wekelijks op TV zie ogen vertrouwd.
Het station blijkt een kopstation, ook al zo mondain. Den Haag, ik kom gauw weerom.

Thomas van der Steen



* Ik ging op zoek naar een hoog huisnummer http://hobokendazzler.blogspot.nl/2017/01/1803.html en koos de Laan van Meerdervoort. Maar ik had, volgens een Hagenees, ook de Erasmusweg aldaar kunnen kiezen, die loopt tot 2303. Vriendin Natasja emigreerde naar Argentinië en woont nu op 1309 in Pérez, Santa Fe. Op de deur van Mariëlle uit Julianadorp staat 5930 en in Hoofddorp woont iemand op het duizelingwekkende 19999 maar in Hoofddorp spelen ze vals.

donderdag 19 januari 2017

1803


                        
1803

                                    

Vol ongeloof keek ik naar de TV. Richard Kimble, the Fugitive, belde aan bij nummer 3924. ‘Papa, huisnummer 3924, dat kan toch niet?’ Mijn vader, hij was in Amerika geweest, zei: ‘Alles is groter, hoger en langer daar, de straten zijn eindeloos.’ Ik was 9 jaar en vond 195, het hoogste nummer in mijn straat, al astronomisch.
Toen mijn oma haar eau de cologne sprenkelde en ik haar vroeg waarom er 4711 op het etiket stond zei ze: ‘Dat is het merk, het huisnummer van de winkel in Keulen.’
Mijn wieg stond op nummer 30 en verhuisde achtereenvolgens naar 136, 1, 69, 12, 5 en landde 24 jaar geleden op 167. Ik ben toe aan een huisnummer dat bestaat uit 4 cijfers dus op naar Den Haag, op naar de Laan van Meerdervoort!

Naar Amsterdam ga ik wekelijks, Utrecht maandelijks en Rotterdam bezoek ik ieder kwartaal wel een keer. In Den Haag kom ik nooit. Ja, ik ben eens naar Madurodam geweest en heb op de pier van Scheveningen met mijn vader en diezelfde oma een scholletje gegeten.
Als ik op mijn fiets stap voor de hal van het Centraal Station bruist de stad me tegemoet. Dynamiek hangt in de lucht, weet nu al dat ik hier vaker ga komen. Om niet te verdwalen haal ik bij de VVV een plattegrond.
Onderweg naar Laan van Meerdervoort nummer 1 doorkruis ik Chinatown. Het is een zonnige dag en kantoorpersoneel flaneert zonder jas naar hun lunchadres.
Ik wil de langste laan van Nederland van begin tot eind fietsen op zoek naar een volwassen huisnummer. Het eerste stuk is éénrichtingsverkeer meteen daarna is de weg opgebroken, de vloek van elke stad. Ik fiets over de stoep met aan weerskanten winkels en kantoren. Dan een statig gebouw op rechts: Gymnasium Haganum. Als oud-gymnasiast knik ik kort naar gebouw en pauzerende leerlingen. Tot de kruising met de Suezkade is de straat een aaneenschakeling van kapsalons, telefoonwinkels, café’s en kebabzaken.
Het karakter van de straat verandert en naarmate ik het centrum verder achter me laat wordt het almaar chiquer. Hypotheekverstrekkers, tandartspraktijken, makelaars en notariskantoren verdringen zich. Vanaf nummer 563 hebben de woonhuizen tuintjes. De tram rijdt nu door gras en een door bomen gevormde groene boog. Na de kruising met de Pioenweg op rechts geen huizen maar een park. Aan de andere kant van de weg moet nummer 1000 zijn, een ijkpunt. Ik steek over en kom bij het portiek waar dat magische nummer moet zijn maar 1000 ontbreekt! Er is ongetwijfeld een reden voor maar na 998 komt 1002.

Tijd voor een colaatje en op het terras van een door Chinezen gerunde snackbar ( bestaan er überhaupt nog chineesloze? ) is het goed toeven. Voor me een tramhalte en een winkelcentrum, achter me ruist het lover van de Bosjes van Pex.
De laan is 6 kilometer lang en ben bijna aan het eind. Aan weerszijden stadse portiekwoningen, 5 verdiepingen met een gemeenschappelijke deur die toegang geeft tot 10 huizen. Hierna weer een park, landgoed Meer en Bos. De laan wordt breder en ruimer, aan de horizon gloort bos. Links rijst een enorm 6-laags, geel appartementencomplex op, het kreeg de bijnaam Chinese Muur.
Voor het kruispunt met de Kijkduinsestraat liggen nog een paar flats. Ik stap af om het hoogste nummer te vinden. Mijn zoektocht eindigt bij nummer 1803. Hoger dan dit zag ik nooit in Nederland maar na zo’n stuk fietsen had ik op hoger gehoopt. Lichtelijk teleurgesteld stap ik weer op en buig naar rechts. De straffe wind geeft de wolken geen kans en de duinen, het strand en de zee bij Kijkduin lonken.

Thomas van der Steen

vrijdag 16 december 2016

TOP2000, versie 2016



                      
 

Special thanks to Keith, Maurice and David.

Trouw heb ik mijn lijstje ingeleverd bij de Top 2000. Ik doe dat al sinds 1999, vanaf het begin. Ik hou van muziek, van lijstjes en heb de evangelische drang om mijn uitmuntende muzieksmaak kenbaar te maken.
Een nummer moet me in de ziel raken of mij herinneren aan een diep droevige of juist gelukzalige periode van mijn leven. Om het cliché maar te gebruiken: the soundtrack of my life.
Er zijn een paar zekerheidjes, die komen elk jaar weer terug, de rest waaiert af en aan.

Zekerheden zijn:

  • God Only Knows, The Beach Boys, 1966

In 1966 was ik 8 jaar oud en hoorde meteen dat er iets aan de hand was met dit nummer. Orkest, de zware bas, drums, trompetten - bleken later hoorns - het voor mij nieuwe papapapapapapapapa en alles eindigend in een canon.
Het is gewoon het mooiste liedje ter wereld en ik ben in goed gezelschap, Paul McCartney vindt het namelijk ook. Ze vragen mensen wel eens naar de elpee die ze mee zouden nemen naar een onbewoond eiland. Met alleen dit nummer zou ik overleven.

  • She’s Leaving Home, The Beatles, 1967

Als nakomeling, mijn zussen zijn 10 en 8 jaar ouder, werd ik op jonge leeftijd al omringd door muziek. Ze waren fans van The Beatles en dat heb ik geweten. In 1967 kwam hun beste album ooit uit, Sgt. Pepper’s. She’s Leaving Home viel op omdat ik popmuziek hoorde maar geen gitaren en drums, alleen maar klassieke instrumenten. Ik was 9 en hoorde poëzie maar wist ‘t nog niet. De k-klanken in het zinnetje: to the kitchen clutching her handkerchief vielen op.

  • De Glimlach van een Kind, Willy en Willeke Alberti, 1968

Omdat mijn moeder zei: ‘luister maar jongen, hier gaat ‘t allemaal om’. Toen begreep ik haar niet, nu wel.

  • Lucky Man, Emerson, Lake & Palmer, 1970

Muziekles op de middelbare school werd afgesloten met het beluisteren van een door een leerling meegebrachte LP. De zoon van componist Tera de Marez Oyens zette de eerste LP van Emerson, Lake & Palmer op. Na veel orgel geweld begon een ballad. Greg Lake, die overleed vorige week, zong over een man die alles had en zo gelukkig was tot er oorlog kwam en hij sneuvelde. Aan het eind hoorde ik een instrument dat ik nog nooit had gehoord, het bleek de Moog synthesizer. Je hoort dat Keith Emerson de helse machine aanzet, de vloer van het lokaal trilde. De Moog dreigde, krijste, jankte, kreunde en kroop uiteindelijk als een monster weer terug in zijn hol. Ik zat vastgenageld aan mijn stoel en hapte naar adem.
Tot zijn dood, ook hij verliet ons dit jaar, heb ik Keith Emerson gevolgd en dank hem voor zijn muziek maar vooral voor de introductie van de synthesizer in de popmuziek.

  • Horse with no name, America, 1972

Door mijn focus op alles wat maar toetsen beroerde was ik vergeten hoe mooi akoestische gitaren en close harmony klonken. Dit nummer bracht me weer terug op aarde. Nadat ik het 2 keer had gehoord kon ik het meezingen.

  • Can’t hide love, Earth, Wind and Fire, 1976

Hun dubbelelpee Gratitude sleepte ik naar elk feestje. Als liefhebber van eindeloos dansen nam ik geen risico. Als de zon opkwam mengden zweet en bloed zich in mijn schoenen. Thuisgekomen plofte ik uitgeput op bed en zette voor het slapen gaan nog even het laatste nummer van de plaat op. Mooier kon de dag niet beginnen.

  • This is not America, Pat Metheny Group and David Bowie, 1985

Dit nummer hoorde ik voor het eerst toen ik de film The Falcon and the Snowman zag. Acteur Sean Penn werd door Mexico aan de Amerikaanse autoriteiten uitgeleverd. Dat gebeurde bij San Ysidro, de grensovergang tussen San Diego en Tijuana. De scène en de muziek lieten me niet los, ik moest daar ooit naar toe. Ik ging in 1992 en het was fascinerend. De Muur in Berlijn was gevallen maar hier werd er een opgetrokken. Het lichtgroen van de douane sierde de waterscooters en boten voor de kust, motoren en auto’s op het land en helikopters en vliegtuigjes in de lucht. Te voet overschreed ik de scheidslijn tussen de eerste en de derde Wereld. De San Ysidro Port of Entry is de drukste grensovergang ter wereld.
Als ik het nummer hoor denk ik altijd terug aan San Ysidro.

  • You gotta be, Des’ree, 1994

Herald what your mother said
Read the books your father read
Try to solve the puzzles in your own sweet time

Deze song is mijn motto geworden. Recht je rug, doe normaal, val anderen niet lastig met jouw problemen, denk na, blijf kalm, sterk en schaam je niet voor je tranen.

Van de bovenstaande muzikanten zijn er drie dit jaar overleden: Keith Emerson, Maurice White van Earth, Wind and Fire en David Bowie. Prince is ook dit jaar overleden maar met hem heb ik nooit iets gehad. Een aansteller met een hoog stemmetje.
Er zijn meer zekerheden op mijn lijst maar alleen al voor Gwen Stefani van No Doubt heb ik te veel letters nodig. Zij komt volgend jaar aan de beurt.

Thomas van der Steen

Emerson, Lake & Palmer


Earth, Wind and Fire

Des’ree

woensdag 26 oktober 2016

14


                          
14



“…...is op 68-jarige leeftijd in Barcelona overleden.” Mijn hemel, dat kan er maar één zijn. Aan het einde van het ingelaste nieuwsbericht wordt mijn vermoeden bevestigd, fenomeen Cruijff is dood. Het is Witte Donderdag, dag van het Laatste Avondmaal, en de eerste grap is dat JC aanstaande zondag zal herrijzen.
Alle verloven van redacties van talkshows, kranten en tijdschriften worden ingetrokken, de rolodexen ratelen. Nederland zet zich schrap voor het grote rouwen.

Ik sta met mijn fiets voor het Centraal Station van Amsterdam. Om Cruijff te eren ga ik langs de sporen fietsen die mijn jeugdidool in Amsterdam achterliet. Met nadruk jeugdidool, na 1974 was ik wel klaar met die notoire, rancuneuze querulant. Eerst verliet hij Ajax na drie opeenvolgende Europacups - onvervalst verraad - en het jaar daarop zadelde hij me op met een trauma dat ik pas 14 jaar ( toeval! ) later zou kwijtraken. In die levensbepalende finale van 1974 ergerde ik me groen en geel aan zijn gepraat en gemekker. De scheids ook, hij kreeg geel ná het rustsignaal, Nederland verloor en het was zijn schuld.

De zaterdag na Goede Vrijdag mag dan Stille Zaterdag heten maar daar is weinig tot niets van te merken. Terwijl toeristen slingerend hun weg zoeken naar gracht, museum of Achterhuis stuur ik naar de Middenweg. Over de Ruijter- en Piet Heinkade fiets ik langs het IJ waar cruiseschepen aangemeerd liggen. Samen met een Intercity buig ik naar rechts. Na Artis en het Tropenmuseum passeer ik een onzichtbare grens: ik ben verlost van toeristen en heb alleen nog maar last van Mokumers. Ik draai het fietspad van de Linnaeusstraat op, hier smeekte Theo van Gogh vergeefs om genade tot zijn beul.

De Middenweg is kaarsrecht en lang, aan het eind ligt Betondorp. De straten zijn smal, de huisjes piepklein. Het ouderlijk huis van Jopie is zo gevonden. De stoep ligt bedolven onder de bloemen. Als ik mijn fiets in het gangetje stal ervaar ik een historische sensatie: dit is de plek waar Cruijff eindeloos met zijn bal jongleerde. Mensen drommen samen rond de bloemenzee en bejaarde buurtbewoners vertellen aan iedereen die het wil horen dat zij het meteen in die magere zagen. Op het raam staat een treffende uitspraak van Johan geëtst: ‘ Buitenspelen zou een vak moeten zijn op school’.

Letterlijk om de hoek ligt op De Nieuwe Ooster zijn vroeg overleden vader begraven. Als ik voor zijn graf sta, Johan praatte tegen die steen, zie ik hoe dichtbij stadion de Meer lag. Als de supporters zijn zoon toejuichten zwol de geest van Manus van trots.
Op zondag 24 januari 1971 was ik met de vriend van mijn zus mee. Ajax speelde tegen ADO en won met 3-0. Het viel me op dat het vak waarin ik zat enthousiaster oeh en aah-de als Piet Keizer aan de bal was dan wanneer de tovenaarsleerling dat was. Piet scoorde tweemaal, Johan maakte de derde.

Door Duivendrecht koers ik naar de Arena. Meteen na het overlijden gaan er stemmen op om dat stadion te herdopen tot Johan Cruijff-Arena. Juist hier liet hij zich van zijn slechtste kant zien. Verbeten dramde hij via vazallen van de Telegraaf zijn zin door bij Ajax.
Gisteren speelde Oranje hier een oefenduel tegen Frankrijk. Mijn zoon was toeschouwer en klapte in de 14e minuut fanatiek mee met het eerbetoon. Hij vertelde me dat zijn kippenvel kroop waar het niet gaan kon. Vandaag vormt zich voor de ingang een lange rij om het condoleanceregister te tekenen. Te lang om aan te sluiten.

De in alle opzichten treurige plek verlaat ik richting Amstel. Via Ouderkerk bereik ik de rivier. Over de dijk fiets ik met de stroom mee naar de stad. Bij begraafplaats Zorgvlied sla ik linksaf en geniet nog even van de rust. Die wordt ruw verstoord als ik parallel fiets met metro, tram, trein en de bulderende A10. Haaks komen ook nog vliegtuigen over. De torenhoge Zuidas maakt indruk, het wordt nog ‘s wat met het dorpse Amsterdam.

Ik fiets een rondje om het Olympisch Stadion. In 1972 zag ik vanuit vak SS [ sic ] van heel ver, een fel verlicht poppetje behendig excelleren en winnen van Arsenal.
Als ik het stadion heb gerond stuit ik weer op bloemen. Ze liggen tussen het Cruijff Court en het lelijkste standbeeld ooit. Nummer 14 wordt door Hoeness getackeld in de eerste minuut van de WK-finale in 1974. De versierde penalty gaf geen soelaas.

Ik fiets door het Vondelpark naar het centrum. Toeristen duiken weer op, het verkeer stropt. Het Lieverdje heeft een Ajax-das om. Omdat het te druk was bij het condoleanceregister bij de Arena probeer ik het bij het Amsterdam Museum. In de Schuttersgalerij heerst een plechtige stilte. Onder de iconische foto van Paul Huf van Nuninga, Swart, Keizer en de jonge Cruijff staan een tafel en stoel. Als ik zit denk ik aan mijn Catalaanse vriend Joan. Hij maakte mij duidelijk wat Cruijff voor zijn volk heeft betekend. Ik begreep het pas goed toen ik samen met hem de film ‘ En Un Momento Dado’ zag. Hij giert van het lachen bij die uitspraak, wordt stil als hij zijn zoon Jordi - toen een verboden naam in Spanje - doopt en huilt vreugdetranen als Cruijff in zijn eentje Real Madrid in eigen huis vernedert met 0-5.
Ik teken en eer de verlosser van een volk en niet die eigenwijze gelijkhebber.

Mijn vriend Joan, Catalaans voor Johan, noemde zijn zoon natuurlijk ook Jordi en overleed eerder dan Cruijff.

Thomas van der Steen



woensdag 12 oktober 2016

Bretagne

      
             


              Bretagne (2)


Precies zoals ik in de vorige Leunstoel voorspelde is de hemel tegen lunchtijd blauw met hier en daar een toefje wit. De zee is zo dichtbij dat ik ‘m ruik. Een verkeersbord langs het smalle weggetje waarschuwt dat ie sans issue is. Ah, doodlopend, beter kan niet.
De baai wordt begrensd door ruige rotsen. Tientallen bootjes dobberen aan hun boeien. Het strand is goudgeel, het zand fijn. Aan de Côte d’Azur zou het afgeladen zijn. Maar hier blijft het bij wat bejaarden, een paar gezinnen en een verloren puber.
Er is dan ook maar één eettent, een café en een man die in zijn caravan crêpes bakt. De berg lege potten Nutella erachter zou Damien Hirst voor een vermogen aan Tate Modern verpatsen.


Ik heb er al 35 kilometer opzitten dus veroorloof me een rijke lunch in restaurant Vue de Mer. Eerst charcuterie uit de streek, daarna mosselen met friet. Tot slot kaas geserveerd met verse vijgen. Als ik na de koffie terug naar het strand loop zie ik dat de dobberende bootjes ondertussen als oorlogsinvaliden schuin op hun kiel op het zand rusten. Dat is waar ook, het verschil tussen eb en vloed is hier het grootst van heel Europa.


De lunch geeft me energie om kilometers te maken. Gedragen door een oostenwind stuif ik voort. In Perros-Guirec zie ik voor een kerk een oorlogsmonument dat me bekoort. De ellenlange namenlijst van slachtoffers van la Grande Guerre in graniet. Ervoor een beeld van de weduwe van Louis Lariven. Tenminste, naar die naam wijst ze. Haar kinderen, een peuter en een kleuter, volgen met hun ogen de gestrekte arm van mama. Een versteend tableau vivant.
De naam Le Merrer komt trouwens vier keer op die lijst voor. Voor de romantiek van Saving Private Ryan was - het leven van een vierde zoon werd gered - in de Eerste Wereldoorlog geen plaats. Pierre, Guillaume, Félix maar ook Yves sneuvelden in de godvergeten modder van Verdun of Ieper.


Westwaarts fietsend kleuren de rotsen roze, onmiskenbaar heb ik de Côte de Granit Rose bereikt. Het natuurfenomeen maakt extra indruk omdat ik moederziel alleen ben. Elon Musk wil ons naar Mars schieten, ik waan me al op de rode planeet. Ik stap af om de stenen beter te bekijken. Ze zien eruit als onbewerkte aanrechtbladen. Ik volg de kustweg en de rotsblokken worden steeds grilliger van uiterlijk. Erosie vormde een steen tot een eenogig gezicht dat balanceert op de punt van een andere rots. En alles roze, het lijkt wel een creatie van Dali.


In Trégastel sla ik linksaf en verlaat de kust. Verder landinwaarts ligt een fenomeen dat ik moet zien. Een antenne, gebouwd in 1962, om televisiebeelden naar Amerika te stralen en andersom. Om de kwetsbare antenne te beschermen tegen weer en wind hebben ze er een ballon omheen opgeblazen. Van verre zie ik de witte bal in het landschap liggen en hij wordt groter en groter. Als ik vlakbij ben lijkt het wel of ik naar een driedimensionale vlag van een nieuw land kijk. De onderste balk is een gifgroene band van pas gemaaid gras, in het midden die 50 meter hoge spierwitte bol en boven een staalblauwe balk van de wolkenloze lucht.


Als ik ‘s avonds in de schemer terugfiets naar het vakantiehuisje loopt de kortste route door een veld met bloeiende artisjokken. Vleermuizen fladderen onberekenbaar en onheilspellend boven mijn hoofd. Pas in bed brengt het regelmatige geluid van de branding me weer tot rust.

Thomas van der Steen

woensdag 28 september 2016

Breizh

 
  
           BREIZH (1)


Vaak ging ik op vakantie naar Bretagne ( Breizh in het onverstaanbare Bretons )  zeker in mijn jeugd. Ik heb er met emmertjes op het strand gespeeld, naast de schiettent naar een zoen van Geneviève verlangd, mijn meerdere erkend in Cédric op Space Invaders en in nachtclub Les Chandelles een biertje van de bar gepikt omdat die duurder was dan vloeibaar goud. Later liet ik mijn vrouw de menhirs in Carnac zien. Nog later beaamden mijn kinderen dat mosselen op een dorpsfeest het best smaken met Muscadet uit een plastic beker.
Dat alles speelde zich af in het zuiden, nu ben ik voor het eerst onderweg naar het ruige noorden van die regio. Als ik in mijn achteruitspiegel kijk zie ik mijn oer-Hollandse Gazelle op de fietsdrager meedeinen over de hobbels van de D21.


Door de koele zeebries laat ik me niet afschrikken. Zelfs het dikke wolkendek weerhoudt me niet om de volgende dag op de fiets te stappen. Door al mijn ervaring weet ik hoe het weer zich hier gedraagt. De ochtend begint grauw, net voor of na de lunch breekt de hemel open en er volgt een zonnige dag.
Het dorp waar ik verblijf ziet er verlaten uit. De boulangerie heeft het niet gered en is voor altijd gesloten. Dat de farmacie juist goede zaken doet zie ik aan het groene kruis dat een caleidoscopische lichtspel opvoert. Een obelisk met namen, een kraaiende haan erbovenop, staat hier als monument voor de lugubere oorlog die Europa 100 jaar geleden teisterde. Te saai om te stoppen, ik wacht op een melancholischer exemplaar. Meteen na de laatste huizen van het dorp begint het glooien. Op de top van een heuvel zie ik, verdeeld over de horizon, vier conische witte watertorens. De Fransen noemen ze chateaux d’eau, waterkastelen. De afdaling gebruik ik om de daarop volgende heuveltop die opdoemt te bedwingen. Een makkie, dat blijft vast niet duren.


Als ik weer een top heb bereikt zie ik eindelijk de zee, de zee waar ik altijd naar hunker. Dat verlangen is genetisch bepaald en afkomstig van mijn moeder. Zij ging in 1963 op de dag van vertrek terug naar Nederland ‘s ochtends afscheid nemen van het strand en branding. Ik, 5 jaar oud, liep mee en begreep er niks van. Nu wel, meer dan ooit.
De weg naar de kust daalt en daalt. Door een loofbos suis ik naar beneden, haren in de wind en door bladerdek gefilterd zonlicht op het asfalt. Een klaterend beekje spoedt zich ook naar beneden maar ik win.


Sneller dan het water passeer ik het bord Paimpol. Het dorp is trots op haar abbaye de Beauport en alle pijlen wijzen de toeristen naar dat historische gebouw. Een klooster uit de 12e eeuw dat angstvallig wordt beschermd door hekken. Het enige gevaar voor de gotische bogen zijn de losbandig groeiende hortensia’s. Blauw en roze bloesem overwoekert de ruïne.
Ik zoek een bankje in de schaduw om uit te rusten. Naast me zit een man die de punt van zijn wandelstok met een mes aanscherpt. Een Süddeutsche Zeitung steekt uit zijn rugzak dus ik vraag in mijn beste Duits: ‘Wohin geht die Reise?’ ‘Santiago de Compostela, selbstverständlich, und Sie?’ Ik knik in de richting van de zee, zwijg, maar denk: selbstverständlich.


Thomas van der Steen