vrijdag 30 mei 2014

Dansen?




                                2014-05-30 13.04.29.jpg wordt weergegeven




                                                       

                                            DANSEN?


Ploegend tegen de polderwind in bereik ik Zeewolde. Hier vaart de fietsveerpont naar Strand Horst, terug naar het oude land. De kapitein maant me tot spoed, de boot ligt al onder stoom. Puffend en bezweet betreed ik het ruim van de boot. Die doet zijn naam eer aan, strekkende meters leegte. Ik zet mijn fiets naast de andere twee. De vloer is bekleed met rood zeil, als vroeger in de danszaal. Uit de box in de hoek klinkt ‘Happy’. Aan de enige muurbloem op de boot vraag ik; ‘Dansen?’ Besmuikt slaat ze de ogen neer en pakt de arm van haar norse man. De schroef doet het water kolken en we vertrekken. De golven laten de boot dansen. Zij wel!

Thomas van der Steen

donderdag 22 mei 2014

         
              

    
              Erbarme dich, mein Gott


Het is vrijdag, niet zo maar een, het is de vrijdag die we met een hoofdletter schrijven, Goede Vrijdag. De aandacht voor die dag wordt almaar groter. In de slipstream van de Matthäeus-Passion, het muzikale icoon van Jezus’ lijdensverhaal. Bij de EO wordt een verlicht kruis getorst, niet door Jezus, door BN’ers. Laat ik eens naar Naarden fietsen waar de bloem der natie zich verdringt voor de deuren van de Grote Kerk.

De route ernaartoe slingert door het Corversbos. Via het fietstunneltje bereik ik de villawijken van Hilversum. In diezelfde tunnel stond ik veertig jaar geleden te schuilen voor de regen, bang dat mijn sjekkie zou doven. Maar nu is het droog en ik rook niet meer, althans, geen shag. De Trompenberg, het hoogste punt van Hilversum, doemt op als de berg Golgotha. Bovenop staat geen kruis maar een watertoren. De naam is ontleend aan Cornelis Tromp, zoon van Maarten. Het verhaal gaat dat de opperbevelhebber van de vloot én zakenman vanaf hier kon zien of zijn schepen al voor Pampus lagen. Nu zie je alleen maar bomen en de 200 meter hoge KPN-toren.

De wijk aan de voet van de Trompenberg is dan wel een woonwijk maar de natuur is uitbundig aanwezig. Witte rododendrons bloeien weelderig, een maand te vroeg. Dit voorjaar is verbluffend warm, de weergoden zijn mij als fietser genadig. Na de stadsgrens strekken hei en bos tot aan het Naardermeer. Dreigende reigers loeren naar in poelen plonzende kikkers. Als ik bij Naarden-Vesting aankom zie ik op de klok van de kerk dat de Matthäus pas over een uur begint. Ik kan nog een rondje om de vesting heen fietsen. De gracht is geliefd bij karpervissers. Talloze groene tentjes verraden hun aanwezigheid. Gebiologeerd turen de vissers naar hun dobbers. De rit over de wallen geeft een prachtig beeld van de solide verdegingswerken. Hopelijk siert de luchtfoto van de vesting met zijn specifieke stervorm nog steeds de geschiedenisboeken.

Via de Turfpoort fiets ik het stadje binnen. Over de kinderkopjes rammel ik naar de Grote Kerk. Onberispelijk geklede mensen staan gedisciplineerd in de rij. Ik hoef niet aan te sluiten, ik kom hier niet voor de muziek. Aandachtig keek ik naar de uitzending van De Wereld Draait Door die geheel aan Bach’s meesterwerk was gewijd. Het begin vond ik mooi, de hits ook. Maar meer dan tweeënhalf uur op een harde kerkbank naar klassieke muziek luisteren lijkt mij een gruwel. Ik ben hier om naar de elite van Nederland te kijken. Het kabinet is traditiegetrouw aanwezig bij deze verheven uitvoering. Maar in de rij Rutte, Plasterk noch Bussemaker. Ik zie wel oud politica Mirjam Sterk. Reinaldis van Ditshuyzen, royalty-expert en Maria Henneman, NOS-verslaggeefster en oud-minnares van Ruud Lubbers, staan gearmd in de queue. Bij de kerkdeur staat een slimme daklozenkrantverkoper zijn nering aan te prijzen. Hij wenst de bezoekers een mooie uitvoering en een gezegend Pasen. Maar zelfs Cor van Zadelhoff, vastgoedhandelaar en de man met de meeste daken boven zijn hoofd, negeert hem. Van Rutger Castricum van Pownews hoor ik dat de leden van het kabinet en andere grote namen naar binnen zijn gegaan via de ‘artiesteningang’. De deuren sluiten, ik stap weer op mijn fiets. Ik hoop dat de sopraan van dienst in navolging van Jo Vincent het liedboek over een paar uur dichtklapt en zegt; “ziezo, die hangt weer voor een jaar.”

Thomas van der Steen

             


                                                       Ten oorlog!


Generaal b.d. Peter van Uhm deed laatst een opmerkelijke uitspraak in het radioprogramma ‘Verloren zonen - een eeuw ten oorlog’. Hij zei dat we respect moesten hebben voor Nederlandse Syriëgangers omdat ze streden voor hun idealen en voor een betere wereld. Een aangrijpende bewering van de man die op de dag dat hij als commandant der Nederlandse Strijdkrachten aantrad, zijn zoon verloor. In het warme,stoffige maar vooral verafgelegen Afghanistan reed Dennis, ongetwijfeld ook vol idealen, langs een fatale bermbom.

Mijn jeugd was doordrenkt met verhalen, getuigenissen en ontboezemingen uit de Tweede Wereldoorlog. Mijn grootouders en vader overleefden het bombardement op Rotterdam. Precies een jaar later werd Glasgow gebombardeerd. Mijn moeder, haar zus, broers en ouders ontsprongen de dodendans.
Als elfjarige waren we op vakantie naar de Westhoek in België. Daar zag ik de sporen van loopgraven en het droeve resultaat van de Groote Oorlog ( 1914-1918 ): horizonbrede erevelden met ontelbare kruisen. Een hele generatie werd aldaar weggemaaid door barbaars oorlogsgeweld.
De eerste partij waar ik ooit op stemde was de PSP, over idealen gesproken. Toen eind 1989 de Muur viel dacht ik oprecht dat een wereld zonder oorlog aanstaand was.
Nog geen anderhalf jaar later ( 17 januari 1991 ) stond ik tijdens de ochtendspits in een benzinestation. De nacht ervoor had ik, samen met de rest van de wereld, bij CNN het begin van Desert Storm meebeleefd. Bij de koffieautomaat dromden mannen samen. Ze sloegen elkaar stoer op de schouders, hun wangen gloeiden van opwinding. Oorlogsretoriek ronkte: "we pakken ze, de eerste klap is een daalder waard, onze wapens en soldaten zijn veel beter."
Verbijsterd en gedesillusioneerd bleef ik achter. Zo ontvankelijk zijn jonge mannen blijkbaar om zich enthousiast in het strijdgewoel te storten, ongeacht de afloop. Nu weer in Syrië, Oekraïne en de Centraal Afrikaanse Republiek. Mocht mijn zoon zich geroepen voelen ten strijde te trekken vóór - of tegen - wie of wat dan ook, dan houd ik hem tegen.

Desnoods met geweld.

Thomas van der Steen




                    


                                               



vrijdag 9 mei 2014



             




                           
             

                                             



             

  


                    

                                               




donderdag 24 april 2014

                             

                                    De Troubadour


Een winterse donderdagavond, begin jaren tachtig. In mijn stamkroeg Felix III was het ‘live-muziek-avond’. Bandjes kregen destijds een podium om hun talenten te laten horen. Niet alleen goedwillende, lokale amateurs traden op, ook nationale beroemdheden als The Amazing Stroopwafels, The Scene,  Kaz Lux en de Bombitas ( het achtergrondkoortje van Herman Brood ) speelden de kroeg plat. Ik moest niks hebben van die avonden. Mijn routine van kaarten, backgammon, flipperen, wezenloos ouwehoeren en biertjes drinken werd verstoord.

Gerard, uitbater en barman van de kroeg, wenkte me. Hij liep naar het einde van de bar waar het nog rustig was. Toen ik dichtbij was boog hij voorover en sprak op samenzweerderige toon. “Thomas, ik heb je nodig. Die van vanavond wil geen meter bier of een fles Dimple, hij wil hasj. Hier een geeltje, ga maar wat halen.” Ik liep naar de net geopende coffeeshop ‘Paradise’. Voordat die zaak begon moesten we onze hasj halen in ongure kraakpanden bij types die in de film Trainspotting niet zouden misstaan. Voor de 25 gulden kocht ik een brok Afghaan, oersterke stuff waar ik me ver van hield.

“Hij is al boven, loop maar door”, zei Gerard. Ik was verbaasd, boven was de zolder en streng verboden gebied. De wenteltrap bood toegang tot het Heilige der Heiligen: Gerards slaapkamer en de drankvoorraad. Er brandde geen licht op zolder. Het silhouet van een tengere gestalte stak af tegen het raam. Een bundel maanlicht strekte voorbij flessen Pisang Ambon en bessenjenever. Groen en paars licht waaierde over de vloer. “Hier ben ik, heb je wat bij je?” Ik ging in de stoel tegenover hem zitten en gaf hem het plastic zakje met de Afghaan. Begerig pakte het zakje aan, opende het en met gesloten ogen rook hij aan de stuff. Hij pakte er een gebutst blikje Javaanse Jongens bij die zijn blow-attributen bevatte. Met een aansteker verwarmde hij de Afghaan en verkruimelde de hele homp. Ambachtelijk en bedreven draaide hij de mooiste en rijkst gevulde joint die ik ooit zag. Taps uitlopend tot een heuse toeter. Hij zuchtte diep voordat de fik erin ging. Zijn eerste hijs ging diep, heel diep. Smeulende brokjes hasj vielen op de grond. Het uitblazen van de rook ging gepaard met een enorme hoestbui. Uitgehoest trok hij gretig voor een tweede keer aan de joint. Met uitgestoken hand bood hij mij het brandende gevaarte aan. Achteruit deinzend wimpelde ik zijn aanbod af. “Sorry, ik zou het niet overleven, ik blow wel maar niet zo”; zei ik verontschuldigend. “Blijf wel bij me, alleen is maar alleen.”
Hij kletste honderduit over zijn gang langs alle jeugdhonken van Nederland, over het verschil in kwaliteit van hasj en dat er gister in Heerhugowaard niks te krijgen was en dat de Afghaan hier uitstekend was. Toen hij klaar was hing een wolk van rook als een laaghangend plafond tegen de dakspanten.

Ik ging hem voor naar beneden en terwijl hij afdaalde klaterde het applaus al op. Door de inmiddels stampvolle kroeg baanden we ons een weg naar zijn gitaar. Hij had geen podium nodig, een barkruk was zijn bühne. Hij bedankte me voor de hasj en het gezelschap. De singer-songwriter avant la lettre begon zijn optreden met zijn enige hit. Het refrein werd door de hele kroeg meegebruld.

Ben ik te min, ben ik te min omdat je ouders meer POEN hebben dan de mijne
Ben ik te min, ben ik te min omdat je vader een grotere KAR rijdt dan de mijne

Armand zong zijn klassieker nog twee keer die avond.


Thomas van der Steen

1113BZ Armand

donderdag 10 april 2014

Kort maar keizerlijk

            


                   
                    Kort maar keizerlijk



Mijn vorige tocht, een rondje Apeldoorn, werd door gebrekkig richtingsgevoel een heuse ronde. Mijn lichaam werd abrupt uit zijn winterslaap gerukt en de laatste kilometers bleken een martelgang. Rustig het seizoen beginnen is nu het devies. Ik heb een korte rondrit gepland over de Utrechtse Heuvelrug.

In de buurt van Doorn stap ik op de fiets. Ik prijs mezelf altijd gelukkig dat ik in ‘t Gooi woon maar zie al snel dat het hier ook deugt. Het is zaterdagmiddag en opvallend druk in het provinciedorp. De belofte van een zonnig weekend wordt ingelost. Het is niet alleen rokjesdag maar ook korte broeken-, wielren-, wandel-, zonnebrillen-, cabrio-, grote groepen met motoren-, pollen- en luchtballonnendag.
Aan de rand van Doorn staat het gelijknamige Huis. De burcht is wereldberoemd geworden omdat de laatste keizer van Duitsland, Wilhelm II, hier ging wonen in 1920 tot zijn dood in 1941. Nadat de Eerste Wereldoorlog was geëindigd in een smadelijke nederlaag voor de Centralen ging de afgezette Wilhelm in het neutrale Nederland in ballingschap.
Ik ben eerder in Huis Doorn geweest maar verveelde me toen snel. De tentoongestelde hemelbedden, porselein en het protserige bestek was niet wat ik zocht. Nu fiets ik over het omliggende landgoed en geniet van de schatten buiten het huis. Een duiventil zo groot als een eengezinswoning, de garage voor de Daimler, het kapelletje, het mausoleum waar de keizer eeuwig rust en de graven van zijn vijf honden. De trouwe Senta, de teckel die hem zo trouw begeleidde tijdens de oorlog, ligt prominent in het midden. Een levensgroot beeld van een adelaar met gespreide vleugels waakt over de hondjes.

Als ik Doorn in noordelijke richting verlaat moet ik gelijk terugschakelen. De weg naar Maarn loopt akelig omhoog. Maar wat zal ik zeuren op een heuvelrug, het zijn heuvels, geen bergen. Voorbij Maarn ligt het Henschotermeer. De natuur zindert, de lucht is zwaar en zwanger van de pollen. De magnolia’s bloeien zo onstuimig dat de aanblik neigt naar kitsch. Kan Moeder Natuur eigenlijk kitscherig zijn?

Ik nader de plek waar een andere oorlogszuchtige keizer zijn sporen heeft nagelaten. Op de weg van Woudenberg naar Zeist ligt de Pyramide van Austerlitz. Toen Nederland bezet was door Napoleon had een generaal de piramide laten bouwen door zijn verveelde soldaten. Erbovenop werd een obelisk geplaatst. De naam Austerlitz kreeg de grasheuvel mee van Lodewijk Napoleon, onze toenmalige koning. Zijn broer had net de Russen en Oostenrijkers bij die plaats vernietigend verslagen.
Uit nostalgie stap ik van de fiets en wandel door het bos naar de piramide. Toen de kinderen nog klein waren zijn we hier ontelbare keren geweest. Vóór de restauratie van 2004 was de klim nog avontuurlijk en gevaarlijk. De relingen langs de steile trap hingen op halfzeven en bogen vervaarlijk door.
Maar het uitzicht over de boomtoppen was het risico waard. Nu is alles opgeknapt en ontdaan van elk mogelijk onheil. De bomen rondom de piramide zijn gekapt waardoor het geheel iets krijgt van een aangeharkte tuin.
Indertijd renden we zo hard we konden naar beneden. Want beneden wachtte ‘de kleine kermis’ zoals we dat noemden. Daar was het pannenkoekenrestaurant, van tevoren beloofd ijs, de speeltuin, de botsautootjes en een kleine speelautomatenhal. Mijn hartstocht voor het edele flipperspel heb ik hier doorgegeven aan mijn kids.
De speeltuin puilt uit van joelende jeugd, de speelhal en het restaurant zijn helaas gesloten. De ouders balen dat ze geen colaatje kunnen krijgen en ik omdat ik niet kan flipperen.

In het slaperige dorpje Austerlitz staat een pomp op het dorpsplein. Ik klok volle teugen water achterover. Grote groepen wandelaars trekken voorbij. Het leeuwendeel van zo’n groep wordt immer gevormd door vrouwen met kortgeknipt grijs haar.
De paden door bos en zandverstuiving lopen comfortabel af naar Doorn. Uitbollend stuif ik het dorp binnen waar de terrassen stoelen tekortkomen.
Thomas van der Steen

donderdag 27 maart 2014

  

1111BZ Kootwijk



   Hallo Bandoeng…...hier Radio Kootwijk





Terwijl de olympische vlam in Sotsji nog smeult en de profwielrenners in Zuid-Europa op de zon jagen, borrelt het kwik hier in de thermometers. Ik tref het, juist op een van mijn spaarzame vrije dagen is het onbewolkt en al vroeg aangenaam. Met de auto rijd ik naar Hoog Soeren op de Veluwe. Ik ga een rondje om Apeldoorn maken en mijn speciale aandacht gaat uit naar de Naald en Paleis Het Loo. Ik had nog nooit van de Naald gehoord totdat Karst Tates zo wreed toesloeg op Koninginnedag 2009. Nu staat het monument met de gebutste Suzuki in ons collectief geheugen gegrift.

Eerst dwaal ik door het gebied ten westen van Apeldoorn. Het ene na het andere bos rijgt zich aaneen. Het is begin maart en moet nog 11 uur worden dus als ik door de bossen fiets staat het kippenvel op mijn armen. Het voorjaar dringt zich dan wel op, de bomen zijn kaal en uit de grond stijgt nog winterkou. Ratelende spechten klinken op aan weerskanten van het bospad  Het gaat hier op en af, de glooiingen gelukkig genadig.

Aan de provinciale weg ligt pretpark Julianatoren. Van buiten ademt het een 50-er jaren sfeer. De toren is gebouwd in 1910 en was voor die tijd ongetwijfeld duizelingwekkend hoog. Nu maakt een gebouw van 28 meter geen indruk meer. Het park ontwaakt uit zijn winterslaap. Achter het hek staan diverse soorten dinosauriërs van kunststof. De Brontosaurus staat nog verscholen onder een beschermend winterzeil. Zijn omvang verraadt zijn identiteit.
De weg daalt en ik dender met grote snelheid op het kruispunt af waar de Naald staat. Het ziet er heel anders uit dan in 2009, toen was alles met dranghekken afgezet. Nu is het enorm druk - een doordeweekse dag - voor stoplichten wachtend verkeer en zich moeizaam in gang trekkende vrachtwagens. Ik zoek het herdenkingsmonument ter nagedachtenis van de slachtoffers maar kan het niet vinden. Ik geef het op nadat ik ‘t drie voorbijgangers heb gevraagd. Ze weten dat het er is maar waar……?

In het centrum van de stad gebruik ik de lunch tussen pauzerende scholieren en kantoorpersoneel. Niemand eet meer meegebrachte boterhammen. Broodjeszaken, terrassen, Turkse bakkers en snackbars draaien topomzetten. Iedereen koestert de warmte en zuigt de energie van de zon op.

Langs het kanaal wil ik naar Vaassen in het noorden fietsen. Daar is Cannenburgh, het kasteel van Maarten van Rossem. Niet de cynicus par excellence maar de Gelderse veldheer uit de Middeleeuwen. Er hangt nevel boven het eindeloze kanaal. Er verandert weinig aan het decor en het werktuigelijk malen van de trappers verveelt me. Voor mijn gevoel moet ik zo langzamerhand bij het kasteel zijn. Eindelijk bereik ik een brug over het kanaal. Een kruispunt en dus verkeersborden. Beekbergen? Ik weet zeker dat die plaats ten zuiden van Apeldoorn ligt. Het kaartje van het fietsknooppunten bevestigt dat, ik ben verkeerd gereden. De route die ik wilde rijden was 35 kilometer, als ik in een rechte lijn naar de auto fiets kom ik boven de 50. Ik weet niet of mijn ongeoefende spieren dat halen maar ik heb geen keus. Balend fiets ik westwaarts. Ook op deze route volop bossen maar de hellingen zijn niet alleen steiler maar vooral langer. Na een top is het fijn dalen maar dat is zo snel voorbij.

Met mijn tong bijna op mijn voorwiel bereik ik de grootste zandverstuiving van West-Europa: het Kootwijkerzand. Gelukkig is het windstil want zandkorrels tussen mijn tanden kan ik er niet bij hebben. Op deze weidse vlakte bevindt zich Radio Kootwijk, het voormalig zendstation. Het immense gebouw, in art-decostijl, ziet eruit als een kerk en heeft als bijnaam dan ook de Kathedraal. Deze plek is indertijd uitgekozen vanwege de storingsvrije omgeving, er is hier in de wijde omtrek niets dan hei en zand. De zender werd in gebruik genomen in 1923 en onderhield contact met Nederlands-Indië via de lange golf. In 2000 werd de zender ontmanteld, de technologische ontwikkelingen maakten het overbodig. De betonnen kolos bleef gelukkig staan, nutteloos maar imponerend.

De laatste helling die ik vandaag neem is die van het viaduct over de A1. Totaal uitgewoond bereik ik de auto. Voor Paleis Het Loo heb ik geen puf meer. Ik beloof mezelf meer training.….. en een GPS.

Thomas van der Steen