donderdag 9 april 2015

Echte kerels zuigen niet, ze drinken


       

Echte kerels zuigen niet, ze drinken

Miguel Indurain kon in juli 1996 de Tour de France winnen. Dat zou voor hem de 6e keer zijn, een absoluut record. Maar tijdens een beklimming in de Alpen miste hij een etenszakje. Vier kilometer voor de top vloeide alle kracht uit zijn benen en stond ‘geparkeerd’. Miguel verloor een minuut per kilometer en daardoor de Tour. De Fransen noemen dat een fringale, de Vlamingen zeggen hongerklop.
Diabetici hangt dit fenomeen iedere dag boven het hoofd. De wankele balans tussen glucose en insuline kan verstoord worden door onverwachte fysieke inspanningen. Maar ook mentale zorg kan een zogenaamde hypoglykemie veroorzaken. Een echtelijke twist, ruzie met een recalcitrante puber of bonje met een onrechtvaardige leidinggevende kan tot een verontrustend laag bloedsuiker leiden. Ook ‘gezonde’ mensen kennen het hypo-gevoel uit hun jeugd. Dat je na een wilde dag in het zwembad trillend een dennenkoek weg bunkert en maar aan één ding denkt: nog een dennenkoek. Suikerpatiënten kunnen in die situatie door een levensbedreigende ondergrens zakken  Dat is de reden dat ik - ik bén diabeet - altijd druivensuiker bij me draag als ik ga fietsen.

Na een bezoek aan Amsterdam besluit ik naar huis in Hilversum te fietsen. Ik heb de stad kriskras doorkruist en al de nodige kilometers afgelegd. Maar de net genoten overvloedige lunch stelt me gerust; genoeg brandstof in mijn lijf. Maar het eerste obstakel is de Nesciobrug. Die overspant het Amsterdam-Rijnkanaal, hierover kunnen lopers en fietsers van IJburg naar de stad. De helling naar boven is steil, heel steil. Afstappen is geen optie, je bent een kerel of niet. Als ik boven ben stop ik wel. Puffend en hijgend realiseer ik me dat dit dezelfde plek is waar Monic Hendrickx in Penoza haar eerste afspraak met de onderwereld had. Hoog boven het kanaal voel ik dat de wind aanwakkert en ook nog uit de verkeerde richting. Aan de overkant draai ik de brede betonnen strook op die langs het kanaal door het Diemerpark loopt. Nu ik tegen de wind in fiets merk ik pas hoe sterk die is. Om me zo klein mogelijk te maken lig ik plat over het stuur. De bomen aan de overkant van het kanaal ruisen. Ik smijt met energie en maak me zorgen. Mijn laatste vier tabletjes druivensuiker eet ik op. Na elke afgelegde kilometer moet ik een versnelling terug tot de laagst mogelijke: stand naaimachine. Als ik opkijk zie ik de centrale van Nuon. Daarachter ligt Maxis en een Burger King. Verbeten staar ik naar het onder me doorglijdende beton.

Uitgewoond en met knikkende knieën loop ik de hamburgertent binnen. Het is leeg op een tafeltje met vier jonge mannen na. Verveeld leunt een medewerkster tegen de balie. Ik vraag om een grote cola, een echte. Als Liberty-Grace, dat staat op haar naambordje, de beker neerzet gris ik ‘m uit haar handen, trek de deksel eraf en klok gulzig de vloeibare suiker naar binnen. ‘Ik heb er een rietje naast gelegd hoor’, zegt de Surinaamse. ‘Dat vind ik onmannelijk’, ik ben weer bij mijn positieven. Liberty-Grace schiet in de lach en taxeert of ik serieus ben. Ik bestel er nog een hamburger bij. Samen staren we naar het ijzeren talud waar de hamburger straks vanaf zal glijden.
De stoerste van de vier mannen, Clifton volgens zijn vrienden, staat op. Hij is groot, zwart, kaal en vanonder zijn witte T-shirt kringelt een getatoeëerde slang tevoorschijn. Zijn lichaam is duidelijk geboetseerd in de sportschool, zijn glimmende baseball-jasje is eigenlijk te klein voor al dat spiergeweld. ‘Hé chickie, gaan we vanavond naar Club Air?’, vraagt hij brutaal. In afwachting van haar antwoord lurkt hij - via een rietje - van zijn drankje. ‘Nee yongu’boi, ik heb al een date…...met een man.’ Tegelijk met de hamburger krijg ik een knipoog. Na 10 minuten verlaat ik volledig gelaafd het fastfoodrestaurant en stap manhaftig op mijn fiets voor het laatste traject. Brandstof zat.

Thomas van der Steen







donderdag 26 maart 2015

Voorwaarts naar het verleden



            1211BZ Verleden
Voorwaarts naar het verleden


In de herfst van 1968 verhuisden we, ik was 10 jaar en moest naar een andere school. De maandag na de herfstvakantie begonnen ze op de nieuwe school met zinsontleding. Ouwe koek voor mij dus al snel gleden mijn ogen over de hoofden van mijn nieuwe klasgenoten. Ze bleven steken bij een poster aan de muur. De afbeelding schonk me een blik in de toekomst. Een stad vol wolkenkrabbers met spiegelende puien, vliegende auto’s, hangende tuinen en doorzichtige buizen waar treinen doorheen raasden. De meester merkte mijn geestelijke afwezigheid op en zei: 'zo dromer, en wanneer denkt de nieuwkomer dat deze droom werkelijkheid zal zijn?' 'In 1985, meneer,' voorspelde ik.

Vanaf Werkhoven volg ik de Kromme Rijn richting Utrecht. De mist hangt zwaar over het land. De beloofde zonnige lentedag is uitgebleven. De kronen van de populieren zijn onzichtbaar. In de dorpjes Odijk en Bunnik wordt het grijze decor gebroken door de witte kerkjes op de oever van de rivier. Na door weilanden te hebben gekronkeld, baant de Kromme zich nu door een bos. Opeens fiets ik door een stenen poort. Daarachter ligt landgoed Rhijnauwen, ik herken het van twee jaar terug. Hier werd toen mijn werkgeefster ten grave gedragen. Op mijn eerste werkdag reed er ‘s ochtends een ambulance met gillende sirenes voorbij. Zij keek over mijn schouder naar de klok achter me. Toen ‘s middags hetzelfde gebeurde vroeg ik haar waarom ze op de klok keek. ‘Ik kijk of mijn kinderen veilig op school zijn.’ 30 jaar later betrapte ik mij op dezelfde reflex.

De natuur wordt voor even verdrongen door de A12, onze verkeersader naar het Ruhrgebied. Bij Bunnik staan van die enorme, Amerikaans formaat, reclamezuilen langs de snelweg. Maar als de zware brom van het verkeer overgaat in een zoemtoon doemt ook het boerenland weer op. Dit waterrijke gebied is vergeven van de forten die deel uitmaakten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Totdat Duitse vliegtuigen er in 1940 overheen vlogen was dat eeuwenlang onze ultieme verdediging. Boven de bomen zie ik het dak van een nagebouwde Romeinse wachttoren. De Kromme Rijn was de noordgrens van het Romeinse Rijk. Lang werd gedacht dat de Romeinen bang waren voor de moedige strijders ten noorden van de Rijn maar ze vonden dat ze niks te zoeken hadden in dat zompige en koude land. Als ik, net als legionair Gemini Lapidis in 47 na Christus deed, uitkijk over het mistige land begrijp ik ‘m wel. Hij droomde tijdens zijn hondenwacht over zijn Agrippina en hun boerderijtje met olijfgaard in Liguria. Loom genietend van de avondzon en een amfora wijn.

Nederland is zo georganiseerd dat van echte natuur geen sprake meer is. Mijn rit gaat door een nieuw aangelegd natuurgebied: Nieuw Wulven. Pas 8 jaar oud maar enorm gevarieerd. Het trekt vissers, vliegeraars, hardlopers, vogelaars, kinderen die hutten bouwen. Het pad voert langs een zogenaamd drasbos en dat is precies wat het woord behelst. Elzen en wilgen met hun wortels in een moeras. Als het bos ophoudt begint Houten. Op het Rond, het winkelcentrum van die forensenstad, pauzeer ik met een versnapering. Opeens zie ik de poster uit 1968 tot leven komen. De gevels van de winkels weerkaatsen mij, mijn fiets en alles achter me. Op dakterrassen wordt gelounged tussen de moestuinen. Als ik naar rechts kijk zie ik het station van Houten. Het hangt op 10 meter van de grond in een plexiglazen buis. Door de buis glijdt een Sprinter en dendert een Intercity. Zo voorzag Jules Verne de wereld 150 jaar geleden. En ik dacht dat het er 30 jaar geleden al zo zou uitzien. Maar waar zijn die vliegende auto’s?

Thomas van der Steen


donderdag 12 maart 2015

'Scarlett, fietsen is niks voor mij'

  

  
‘Scarlett, fietsen is niks voor mij.’



'Kijk Scarlett, daar gaat die uitslover weer, de buurman gaat fietsen. Ik weet nog goed dat hij daarmee begon, met dat fietsen. Zijn eerste tochtje was nota bene naar Holysloot. Of de duvel ermee speelde. O, o, wat kwam meneer enthousiast terug. Hij trof me die warme Hemelvaartsdag voor het huis in de late middagzon. Toen de naam Holysloot viel huiverde ik.’


‘Het was januari 1945, het was oorlog maar vooral stervenskoud. En we hadden honger. Vader werkte in Duitsland als dwangarbeider in een fabriek. Berend, mijn kleine broertje, lag slecht. Bleek en graatmager lag hij te bibberen in bed. Mama was bezorgd en bang. Ik moest van haar op vaders fiets naar de boeren om eten te halen. Ik kreeg haar trouwring mee. En een armband, die kende ik niet maar die was ook van goud. Omdat de fiets zo groot was moest ik staand fietsen, ik was al doodop toen ik in Noord aankwam. Ik had het zo verrekte koud, gruwelijk. In Holysloot kon ik niet meer en donderde verstijfd van de fiets. Ik werd opgeraapt door een boerin die me naar de boerderij bracht. Ik mocht me warmen aan de kachel in de keuken en mijn handen tintelden zo erg dat ik moest huilen van de pijn. Haar man gaf me voor de ring en de armband een zak aardappelen en een paar grote kolen. De boerin wond nog een paar lappen om mijn handen.
Thuisgekomen huilde mama aldoor, zelfs bij het maken van de soep. Berend en ik slobberden de koolsoep gretig naar binnen, verdund met mama’s tranen. Gelukstranen Koen, zei ze later altijd.’

‘Weet je nog Scarlett, dat -ie naar Velsen was gefietst? Hij zei dat hij had genoten van de Hoogovens. De vormgeving van zware industrie kon ‘m wel bekoren. Ik hield maar voor me dat ik twintig jaar daar in de walserij heb gewerkt. Industrie kan er dan mooi uitzien, er werken is gruwelijk. Ik woonde in bij mensen in Spaarndam en moest drie jaar lang langs het Noordzeekanaal naar mijn werk fietsen. En daarna weer terug, hè. Ik haatte dat fietsen zo erg. Nou ja, één keertje niet dan. Ik had net kennis aan Trijntje. Het was een warme voorjaarsdag en de avond ervoor waren we naar Gejaagd door de Wind geweest. Trijn was helemaal kapot van die film. We fietsten langs mijn werk en reden zo door naar zee. Afijn, het was zwoel, de zon ging vuurrood onder en de duinpan was diep. Op zeker dat daar onze Clark is verwekt. Het schemerde dan wel toen we terug fietsten maar ik zag de blos op haar wangen.
O, wat ben ik in de fabriek gepest met haar naam. “Heeft ze een verkeerde wissel genomen, is er thuis weer eentje ontspoord, is ze het spoor bijster, komt ze nog wel eens een beetje op stoom?”, gek werd ik ervan. Maar toen Clark bij haar crematie sprak en zei dat Trijn was uitgerangeerd, jankte ik.’


‘Ah kijk, hij gaat met de slee. Hij zegt dat hij die stationcar gekocht heeft voor het fietsen. Dan kan de fiets zo achterin. Laatst was -ie naar Duitsland om daar te gaan fietsen. Met die BMW was hij binnen het uur in Elten! Toen Clark nog klein was zijn we eens een week naar het Zwarte Woud geweest. De familie van het Gasthof had in de schuur een kinderfiets staan. Clark was net zes en draaide maar om dat fietsje heen. De baas vroeg mij of wij de fiets een middagje wilden lenen, dan kon ik die kleine leren fietsen. Ik met hem naar een grasveld waar het zacht vallen was. Ik hield hem rechtop, een duwtje en dat jong fietste zo weg! Mijn  trots won het van de verbazing. Geloof me Scarlett, het was het gelukkigste moment uit mijn leven. Hij wilde natuurlijk over de weg naar het hotel fietsen en toen ging het helemaal mis. Al slingerend ging hij hard onderuit en had schaafwonden van boven tot onder. Wat heb ik daar een gelazer over gehad met Trijntje. Ik ging van de hemel naar de hel in precies 300 meter.’


‘Niet zo piepen Scarlett, ik zwaai nog even naar de buurman. Ja ja, je krijgt zo je zaadjes, dear. Dat stomme gefiets ook; frankly my dear, I don’t give a damn, hahahaha.’


Thomas van der Steen


donderdag 26 februari 2015

Gisela, organiste in Altenkirchen

       
  1209BZ Gisela

 Gisela, organiste in Altenkirchen



Tijdens mijn tochten fiets ik alleen. Dat lijkt eenzaam maar daar denk ik heel anders over. Soms heb ik bijvoorbeeld zin om, wind mee en de pedalen geselend, een uur lang non-stop door een lege polder te stuiven. Om even later te stoppen bij elke kerk, ieder park, standbeeld, geveltje of uitzicht om er rustig kuierend van te genieten. Als ik enthousiast vertel over mijn uitstapjes en mensen vragen of ze eens een keer mee mogen wimpel ik dat af. Maar nadat ik tweemaal schreef over Rügen ( zie eerdere berichten ) wilde mijn vrouw daar samen fietsen. Voor haar maak ik graag een uitzondering.


Het eiland Rügen ligt 300 kilometer ten noorden van Berlijn in de Oostzee. Voor Nederlandse begrippen groot, twee keer Texel, en grillig van vorm. Met de auto bereiken we via een corridor een deel van Rügen, het schiereiland Wittow. In Altenkirchen huren we onze fietsen voor de dag en sturen naar de kust. De hele dag houden we de zee aan onze rechterhand. Het is hier een heus eldorado voor fietsers, brede schelpenpaden en geen auto te bekennen. Het pad loopt steil naar beneden naar Vitt, een oud vissersdorpje van witte huizen met rieten daken. Op het strand eten we gerookte makreel. Gelukszoekers waden door de branding op zoek naar stenen met een gat erin. Door erosie en de structuur van vuursteen ontstaan er gaten en de mens zou de mens niet zijn om er mythische krachten aan toe te dichten. Eeuwige voorspoed en welbevinden tot de dood.


De weg stijgt naar het hoogste punt van een krijtrots. Op het grasveld staan twee vuurtorens, de oudste is vierkant, plomp en opgetrokken uit rode baksteen. De nieuwe, rond en slank, werd al in 1902 in gebruik genomen, wat het woord nieuwe aanmerkelijk relativeert. Het gras houdt ineens op, een meter verder zinkt de rotswand 50 meter de diepte in. We staan op Kaap Arkona, het noordelijkste puntje van het eiland. De hemel is wolkenloos en het uitzicht fantastisch. Veerboten glijden statig voorbij, ze zijn onderweg naar Baltische bestemmingen als Riga, Liepaja en Klaipeda. Als ik recht vooruit kijk zou ik Wallander voor zijn strandhuis kunnen zien zitten. Het Zweedse Ystad ligt in een rechte lijn naar het noorden.


We stappen weer op de fiets en ronden de kaap. Dit is het ruige gedeelte van het eiland. Hei en lage struiken voeren hun eeuwige strijd met de nooit aflatende wind. Na een paar kilometer doemt een dennenbos op. Tussen de stammen zien we 30 meter lager een uitnodigend strand liggen. Leeg, uitgestrekt en maagdelijk baadt het strand in de zon. Gestriemd door bramenstruiken bereiken we het witte zand en de blauwe zee. Het water is fris maar de zon vergoedt alles.


We hebben nu de noordelijke helft van het schiereiland gezien en fietsen terug naar Altenkirchen. Voordat we de fietsen bij de verhuurder inleveren bezoeken we de kerk. De deur staat open en rechtsvoor zit een eenzame jongeman op een houten kerkbank. Plotseling vult de kerk zich tot in de verste hoek met orgelklanken. Als aan de grond genageld hap ik naar adem. Onmiskenbaar Toccata con Fuga van Bach. Toen ik 16 was ging ik naar Rollerball, een film over sport in de toekomst. De film begon met Bach’s orgelstuk en het kippenvel stond minutenlang op mijn armen.
Zo plotseling als het begon zo abrupt stopt het. ‘Na und Detlev, schneller?’. ‘Mach mal Gisela’, antwoordt de eenzame man. Gisela speelt het iets sneller en stopt weer onverwachts. De achter haar orgel verscholen organiste vraagt haar Detlev nu of het lager moet. Of harder, of meer labiaal of meer linguaal. Op alles zegt Detlev tegen de onzichtbare vrouw; ‘viel besser Gisela, fabelhaft.’
De sobere inrichting van het kerkje verveelt snel en de kans dat Gisela een stuk onafgebroken voor ons speelt acht ik nihil.


Fietsen met zijn tweeën bleek ook leuk, Rügen is dan ook een fantastisch eiland. Het zwemmen in een lege zee en zonnen op een verlaten strand was paradijselijk. De sacrale ervaring in de kerk zal ik nooit vergeten; vanaf die dag is Toccata en Fuga in d-moll ( BWV 565 ) mijn ringtone.


Thomas van der Steen


donderdag 29 januari 2015

Whole lotta Rosie


       
1207VG Doorgeef

               Whole lotta Rosie


‘IS EVERYBODY HAPPY?’, schreeuwt Lex Harding de Rijnhal in. De 5000 YEAH’s walsen over het podium. Het is 13 juli 1979 en ik sta in de coulissen van de zaal in Arnhem. Een vriend van me wil journalist worden en maakt voor school een reportage over een popconcert. Ik mag mee. Veronica organiseert optredens van internationale acts, vanavond AC/DC. Niet mijn muziek: te hard, te veel spijkerjacks zonder mouwen en zwarte T-shirts en te weinig akkoorden. Maar met een Access All Areas-pas is dat bijzaak.

Als we ‘s middags aankomen houden de Australiërs net hun soundcheck. De Rijnhal is, op de mengtafel na, leeg. Als iedereen tevreden is springt zanger Bon Scott van het toneel. Hij zet een enorme Ciske de Rat-pet op en loopt onze kant op. Als hij dichtbij is valt op hoe klein en iel hij is. Hij glimlacht verlegen en als ik hem groet slaat hij zijn ogen neer.

Normaal verzorgt het voorprogramma en hun optreden neigt naar carnaval. Strobalen, bier, overalls, hooivorken en Hendrik Haverkamp. Bennie Jolink zweept het publiek op naar het kookpunt.
Gitarist Angus Young, ook al zo’n kleintje, staat in zijn schooluniform al te trappelen om het toneel te bestormen. In no time staat Bon Scott in ontbloot bovenlijf te zingen. Samen met zijn T-shirt legt hij de schroom van de middag af. Hij dresseert behalve zijn fans ook de bandleden. Gitaar spelend werpt Angus zich op de grond en kronkelt zich spastisch door de solo van het nummer Rocker. Als hij na die act weer opstaat is de vloer kletsnat van zijn zweet.

Als de band haar toegift inzet lopen mijn vriend en ik richting backstage. In een nauwe gang staat een ravissante blondine verveeld een sigaret te roken. Ze is lang en voluptueus, ze heet vast Rosie. Als de bandleden, druipend van het zweet, in de gang opduiken vechten adrenaline en testosteron om voorrang. De deur van de kleedkamer gaat open maar hier eindigt ons ‘Access’. Hij gaat nog wel open voor flessen whisky, én voor Rosie natuurlijk.
“Kom bij ons wat drinken mannen, laat die gasten”, maant Bennie Jolink ons. In de kleedkamer van Normaal zit iedereen op zijn eigen kratje Grolsch gemoedelijk te praten en te drinken. Het rumoer van de overkant wordt luider en luider, de stem van de zanger schalt boven alles uit. Bon Scott plaveit zijn eigen Highway to Hell. Een paar maanden later sterft hij na een wilde nacht aan de gevolgen van drankmisbruik.

Thomas van der Steen

donderdag 15 januari 2015

Brothers in Arms



                  

   Brothers in Arms



Koning Willem-Alexander was me voor want hij mocht het Nationaal Militair Museum officieel openen. Niet lang daarna bezocht ik het museum op de oude vliegbasis Soesterberg. Het was indrukwekkend, fris, groots en afgeladen met veteranen. Enthousiast gaven deze vrijwilligers antwoord op elk denkbare vraag.


Via een vergeten villawijk laat ik Hilversum achter me. De achtertuinen van de landhuizen gaan naadloos over in het bos. Aan de rand van het bos ligt 200 meter volkomen misplaatst asfalt. Een beginnetje van een afslag die er nooit zou komen. Decennialang hebben diverse autoprogramma’s gebruikt gemaakt van dit stukje weg om acceleratie en remwegen te testen.
Het is winter en ik fiets door een desolaat bos. Bij het Wasmeer verheug ik me op drinkende hertjes maar ook zij laten zich niet zien. Een druipend woud begeleidt me naar Lage Vuursche. Op de begraafplaats van de Stulpkerk loop ik langs het graf van Friso, de prins van het fatale skiongeluk. Het graf staat geïsoleerd in de hoek van het kerkhof. Om al zijn voornamen ( 5 ) te kunnen lezen kniel ik voor de steen. Uit het niets klinkt een barse stem die me gebiedt het gras te verlaten. De ziel van de prins wordt goed bewaakt.


In 1994 verlieten de piloten van United States Air Force definitief hun basis in Soesterberg. Vanaf 1951 waren diverse squadrons hier gestationeerd totdat de Koude Oorlog definitief bevroor. Ontelbare keren knalden straaljagers in mijn jeugd boven onze straat door de geluidsbarrière. Eerst een oorverdovende klap en daarna het langzaam wegstervende geluid van  in hun sponningen trillende ramen. De laatste keer dat ik weer zo’n daverende knal hoorde was nota bene in het ogenschijnlijk vredige Denemarken. Samen met mijn kinderen liep ik over een grasveld voor het zwembad. Ik was het fenomeen ontwend en liet me plat op het gras vallen, de kinderen lagen al.


De route door het bos tussen Lage Vuursche en Soest wordt de laatste kilometers ontsierd door een hek. Een overblijfsel van de zware bewaking rond de basis. Op de heuvel waar een ouderwetse radartoren staat heb ik een mooi uitzicht over de werkeloze startbanen. Het macadam wacht met smart op testende autojournalisten.
Voor het zwarte en hoekige museum staat een Patriot-lanceerinstallatie. Het ziet eruit als een schuin omhoog geplaatste container. Bedoeld om vijandige raketten uit de lucht te plukken voordat die inslaan. Laten we hopen dat ze nu beter werken dan in 1991. De Scuds van Saddam Hoessein suisden toen vrij door de lucht naar Haifa en Tel Aviv. De kazerne van Dhahran in Saoedi-Arabië werd vol getroffen: 28 doden.


De bovenetage van het museum vertelt de geschiedenis van de Nederlandse Krijgsmacht. Uniformen door de eeuwen heen, portretten van stadhouders, koningen en generaals. In een zaal staan cabines waar persoonlijke portretten worden geschetst van soldaten. Getuigenissen uit de conflicten waarbij Nederland betrokken was. Zeer indrukwekkend vond ik het verhaal van Manja Blok, de eerste vrouwelijke F-16 piloot. We vliegen mee in haar cockpit in een missie boven Bosnië op 11 juli 1995. ‘Knal alles af beneden lijn 380, allemaal slechte jongens’ is het bevel. Wij weten dat Manja faalde, 'bad guy' Mladic bereikte ongedeerd Srebrenica.


Beneden is de schatkamer: het Arsenaal. Op chronologische volgorde de wapens die door ons leger werden en worden gebruikt. Met een Bataafse ruiter uit de 1e eeuw begint de tentoonstelling. Langs een eindeloze colonne van dolken, hellebaarden, zwaarden, donderbussen, voor- en achterladers bereik ik het echte werk. De immense zaal heeft rondom ramen van 13 meter hoog. Aan het plafond hangen gepoetste vliegtuigen, als ze niet zo hoog hingen kon je ze als spiegel gebruiken. Op de grond rupsvoertuigen, die zijn juist mat gekleurd. Bij drie objecten gaat mijn hart sneller kloppen.


  • De dienstfiets. Daar staat hij, fier naast paard en wagen. In filmpjes over de mobilisatie van Nederland in 1940 altijd opgevoerd als symbool van het gebroken geweertje. Maar zoals we in de Tachtigjarige Oorlog voordeel hadden tegen de Spanjaarden van onze schaatsen kan dat ook met een fiets. Geen brandstof of wegen nodig.
           


  • De DAF YP-408. Als idealist gaf ik mij voor mijn dienstplicht op voor de Rampenbrigade. Als ik dan toch het leger in moest dan maar iets positiefs. Ik zou uitgezonden worden naar Libanon door Unifil  als boordschutter. Met mijn kop boven de bepantsering in een wit gespoten DAF. Patrouillerend langs de Blauwe Grens om Libanezen en Israëli’s uit elkaar te houden. In het Arsenaal staat -ie, het onschuldige wit geschonden. Al in Assen werd besloten - door mij en de majoor - dat het leger niets voor mij was: ik mocht naar huis, godzijdank.
           


  • Dornier-24. Het pronkstuk van het museum, een gigantisch watervliegtuig. Ik kende het uit de verhalen van K. Norel, de ietwat omstreden schrijver van Engelandvaarders en Vliegers in het Vuur. In die boeken komt de Dornier veelvuldig voor. Als 12-jarige leek een watervliegtuig me de ultieme vrijheid. Als ik mijn droom in het echt zie hap ik naar adem.
           


Onderweg naar huis fiets ik langs een relikwie van de Amerikaanse aanwezigheid. Op het kruispunt van de provinciale weg van Utrecht en Amersfoort staat ‘s lands eerste McDrive. In de buurt van Soesterberg neergezet om het squadron zich meer thuis te laten voelen. Als ze dan in hun Buick Park Avenue hun Big Mac weg bunkerden staarden ze vast naar de kerk aan de overkant. Het Witte Kerkje in Huis ter Heide zou niet misstaan in Hometown, Missouri.

Thomas van der Steen

donderdag 18 december 2014

'Zie ik breede rivieren traag door oneindig laagland gaan'









               ‘Zie ik breede rivieren
     Traag door oneindig laagland gaan’

In het centrum van Wageningen is het helder. Vlakbij Hotel de Wereld stap ik op de fiets. Ik dwaal kort over de uitgestorven winkelpromenade. Na twee keer rechtsaf slaan fiets ik over de Hesselink van Suchtelenweg. Zo notabel als de naam klinkt, zo is het ook. Rechts villa’s, links bomen en struiken. Een eekhoorn waagt de oversteek, van de tuin van de notaris terug naar de natuur. Zijn vuurrode staart waaiert uitbundig. Een egel volgt hem in sukkeldraf.

Na het verlaten van de bebouwde kom daalt de weg naar het stromenland. Mistflarden bezetten rivier en uiterwaarden. Het decor is prachtig maar ik zie het als door melkglas. Het veer steekt de Nederrijn over. Dat de Rijn in Nederland minstens vijf keer van naam verandert ergert me.
De damp rond de rivier laat ik achter, voor me gloort de Betuwe. Maar zonder bloesem oogt het kaal. In de verte ligt ook nog het karkas van de voormalige kerncentrale in Dodewaard. Ik hou het voor gezien in ‘t land van Rijn en Waal en keer om. Op het terras van ‘t Veerhuis in Opheusden geniet ik van hun gulle 12-uurtje. De mist is opgelost en de zon krijgt alle ruimte. Het veer gaat onophoudelijk heen en weer, heen en weer. De negende keer laat ik me naar de overkant brengen.
Hoewel de herfst al over de helft is tikt de thermometer de 20 graden aan. In een T-shirt bestijg ik de Grebbeberg. De helling is kort maar steil. Buiten adem kijk ik op de top over mijn schouder. Op het verkeersbord, dat waarschuwt voor de afdaling, staat een teleurstellende 7%.  
Hier ligt militair ereveld Grebbeberg. Onmiddellijk na onze capitulatie in mei 1940 werden de 424 Nederlandse gesneuvelden hier begraven. Ze liggen er mooi bij. De Britse oorlogsbegraafplaatsen zijn de norm, deze plek doet daar niet voor onder.

Aan de voet van de Grebbeberg ligt Rhenen. Ik zoef de ingang van Ouwehands Dierenpark voorbij. Daar zag ik vorige winter Siberische tijgers, in de sneeuw en echt zwart en wit. Aan de voet van de berg draai ik linksaf om stroomopwaarts langs de Rijn te fietsen. In Rhenen heet de kerk Cunera, de school, het steakhouse en ook de laan langs de rivier. Ze blijkt de beschermheilige van Rhenen.
Het uitzicht op natuurreservaat De Blauwe Kamer is adembenemend. Het lijkt of door de schitterende rivier geen water stroomt maar ontelbare scheerspiegeltjes.

Terug in Wageningen doe ik Museum De Casteelse Poort aan. Hier staat de tafel waaraan, en de pen waarmee, de capitulatie van de Duitsers op 5 mei 1945 is getekend. Bij de ingang meld ik dat ik alleen voor die objecten kom. “Dat treft meneer, ik weet daar alles van”, zegt een vrijwilliger van het museum terwijl hij uit zijn stoel schiet . Als we bij de vredestafel staan daalt zijn stem, hij strekt zich naar mijn oor en spreekt samenzweerderig: “Prins Bernhard werd gedoogd door de Canadees Foulkes en zeker door de Duitser Blaskowitz. Bernhard zat dan ook niet aan tafel maar meer opzij en vooral op de achtergrond.” Aan de muur hangt een schilderij waarop de Prins juist aan het hoofd van diezelfde tafel staat te stralen. “Artist’s impression, je reinste kul”, bezweert mijn duider.

Nadat ik door de alwetende - en oeverloze - ben bijgepraat moet ik nog iets drinken in de zaal van het hotel waar de nazi-capitulatie getekend werd. Op het 5 Mei Plein voor Hotel de Wereld staat het Vrijheidsvuur. Een uitschuifbare koperen zuil met eeuwig brandend vuur in top. Het kreeg al snel een bijnaam van de Wageningse studenten: De Lul van Bernhard.

Denkend aan Holland
zie ik breede rivieren
traag door oneindig
laagland gaan,

Zo begint Herinnering aan Holland van Hendrik Marsman.

Thomas van der Steen