zondag 10 november 2013
Taverne du Passage
Taverne du Passage
Omdat we maar vierenhalf uur hoeven te reizen is er alle tijd. Bijvoorbeeld om halverwege, in Brussel, te gaan lunchen. Zaterdag 18 augustus gaan Belinda en ik nog een weekje weg. Voor het eerst een kinderloze vakantieweek, onwerkelijk. Het is de eerste tropische dag van 2012 in West Europa en meteen een beste, 34 graden!
Eén van de dingen waar je B. ‘s nachts voor kunt wakker maken is een garnalenkroket. Thuis had ik al een keus gemaakt. Het lijkt wel of internet speciaal voor mij is uitgevonden. In Taverne du Passage in de Galerie de la Reine serveren ze al meer dan een eeuw die kroketten. Aldaar zou ik dan nog kunnen kiezen uit Filet Américaine of mosselen. Precies om twaalf uur rijden we de hoofdstad van België binnen en 23 minuten later zitten we aan tafel.
De Koninklijke galerijen zijn een bezoek waard. Er zijn er drie: Roi, Reine, Prince en als je van luxe winkels houdt ben je hier spekkoper. Met zijn drieën zijn ze 230 meter lang en 8 meter hoog. Die hoge glazen koepels geven de galerijen hun speciale allure. Onder de koepels de ene exclusieve bonbonwinkel na de andere. Wij kennen dan Leonidas maar je moet eens een Neuhaus of Godiva binnengaan. De verkoopsters dragen witte handschoenen om jouw chocoladekeuze in een zakje te doen. De handelswaar wordt behandeld als waren het diamanten en zijn vergelijkbaar duur.
We gaan aan een tafeltje zitten en de traditioneel geklede ober begroet ons hoffelijk en overhandigt de kaart. Brussel is officieel tweetalig maar daar merk je niks van. Iedereen spreekt Frans. We besluiten ieder een garnalenkroket te nemen als vooraf. Daarna neemt B. salade de magret de canard - nog iets waar je haar altijd voor kunt wekken - en ik mijn begeerde filet américaine met friet. Kwart karaf Muscadet erbij, helemaal af. Twee uur van huis, andere wereld, andere tijd. Door de onafzienbare stroom toeristen die langs ons tafeltje loopt blijven we in de 21e eeuw. Zoveel Aziaten heb ik van mijn leven nog niet gezien. Ongetwijfeld veel Chinezen en Japanners die Europa doen. Voorafgegaan door de gids met een vlaggetje, parasolletje of een zakdoek in haar opgestoken hand. Ik zag ook een groep Amerikanen voorbijkomen met koptelefoontjes op de oren. Hun gids sprak haar tekst in een microfoontje.
Na de espresso lopen we door de befaamde, of beruchte zo je wil, Beenhouwersstraat met zijn 100 restaurants.
De Grote Markt is overbevolkt door de toeristen en overbelicht door de helse zon. Als extra attractie is er het jaarlijkse Tapis de Fleurs midden op het plein. Bloemen kleurrijk gerangschikt op een gebied zo groot als een voetbalveld. We hebben het Stadhuis vaker bewonderd maar de honderden beelden aan de gevels blijven indruk maken.
We keren terug naar parkeergarage de Munt waar de BMW staat. De Munt is een statig operagebouw met een groot plein ervoor. Daar is juist een demonstratie gaande. Onder de blikkerende zon demonstreren Afrikanen tegen het verbale en lichamelijke geweld dat hen wordt aangedaan. In een lange rij lopen Burundezen, Congolezen en Rwandezen hun ongenoegen te scanderen in krachtige leuzen.
Met de auto de stad verlatend blijkt de grandeur van Brussel. Enorm brede boulevards met majestueuze gebouwen waar of een ministerie, consulaat of bank is gevestigd. Hoge vergulde hekken die toegang bieden tot immense stadsparken. Alle hoofdsteden van Europa en ook die daarbuiten zien er zo uit. Amsterdam niet, dat is meer een openluchtmuseum. Den Haag heeft het een klein beetje maar daar wordt aan gewerkt.
De baan van Brussel naar Luxemburg is lang, saai maar snel. Het is de eerste keer dat we met de nieuwe BMW serieus op pad zijn maar hij ‘cruist’ bekoorlijk. Dit model is sinds zijn verschijnen ( 1996 ) altijd mijn droomauto geweest en nu rijd ik erin! Een andere droom - op vakantie zijn met de auto en dat aan de buitenkant niet kunnen zien - komt ook al uit. De ruimte is zo oneindig dat alle bagage onzichtbaar vervoerd kan worden. Als je je dromen maar niet te ambitieus maakt word je niet altijd door ze bedrogen.
Na 150 km verlaten we de A4 en moeten nog 45 km over provinciale wegen naar ons dorp. We rijden door de uitlopers van de Ardennen en hoeves, dorpjes, boerderijen, weilanden en heuvels volgen elkaar op. De grensovergang van België naar Frankrijk is zo goed als niet bestaand. We komen in de zinderende namiddag aan in Bièvres, het blijkt een gehucht. Toch alweer 2 Nederlandse kentekens, wij zijn de derde. Een heel huis voor met zijn tweeën, zalig, met krakende houten vloeren op de koop toe. Snel doen we wat boodschappen en drinken een roséetje op ons terras. Tegen achten eten we stokbrood, zoute boter, paté, crudités, ham en camembert als een boerenechtpaar aan de keukentafel. Alles wat we eten kun je ook bij AH in Nederland krijgen maar dit smaakt, waarschijnlijk door de ons omringende lucht, écht Frans. Koffie en een korte avondwandeling. We stuiten meteen op het dorpskerkhof, de doden zijn nooit ver. Een klein vierkant begraafplaatsje, drukbezet door voornamelijk oude graven. Niet zo gek, er wonen nu nog maar 67 mensen. Op de zijkant van een marmeren familiegraf staan 3 namen gebeiteld:
Benoît 2 mois
Lucien 1 an
en weer Benoît 1 jour
De familie Zimmermann heeft veel leed gekend.
Aan ‘t eind een monument voor de 8 jongens die stierven tijdens WO1. In 1914 telde dit gehucht 152 inwoners, acht daarvan, jonge mannen in de kracht van hun leven, keerden niet terug uit de oorlog. Een bloedoffer dat wij ons honderd jaar later niet meer kunnen voorstellen.
We lezen, drinken de rosé op en gaan naar boven. Het licht gaat uit en het is donker, pikkedonker. We horen een hond nog één keer blaffen. Zo heeft de natuur, onze schepper, wie of wat dan ook de nacht bedoeld. Stil en donker.
Thomas van der Steen
donderdag 31 oktober 2013
De Harp, de Citer, de Luit en een afloper
Deze zaterdagochtend is het precies één week herfst. De hemel kleurt intens lichtblauw. Ik heb een vrije dag dus dat ik ga fietsen staat vast. Wáár ik ga trappen is nog ongewis. Een artikel in het ochtendblad dient onverwacht als de wijzer van een kompas. Het wordt Hoofddorp.
Bij SV Hoofddorp is volop parkeerruimte. De velden zijn groen, de voetballertjes jong, de vlaggen staan strak. Terwijl ik mijn fiets uit de auto trek, kijk ik geanimeerd naar de bekende zaterdagochtendrituelen. De rij-vaders van de bezoekende clubs parkeren hun auto’s. De jochies, en een enkele meid, zeulen hun veel te grote voetbaltassen naar het clubhuis. Hun zaterdag zit geramd.
Ik stap op mijn fiets en ga linksaf de IJweg op. Het eerste huis dat ik zie draagt nummer 1149, een zeldzaamheid in Nederland. Behalve dat deze IJweg dus lang is, is ‘ie ook kaarsrecht. Nadat ik de bebouwde kom van Hoofddorp heb verlaten strekt het typisch Hollands polderlandschap zich voor mij uit. Niet alleen de weg is recht, alles is hier strak. De akkers, loodsen, bomenrijen, boerderijen, tot en met de tuinen zijn ontworpen langs een meetlat.
Inmiddels heb ik Nieuw-Vennep bereikt. Ik verlaat de IJweg en koers naar het centrum van het dorp. Een dorp zoals zoveel in Nederland. Maar de Witte Kerk noopt me tot afstappen. Het godshuis, smetteloos wit, steekt zuiver af tegen de al even maagdelijke, azuurblauwe lucht. Dit kleurencontrast is de opmaat voor vandaag.
De Harp:
Langs de Hoofdvaart fiets ik over de Hoofdweg - tja, consequent tot in de naamgeving - naar het noorden. De Haarlemmermeerpolder wordt via deze Hoofdvaart droog gehouden. Voor me verrijst de Harp, één van de zogenaamde Calatravabruggen. Want over Santiago Calatrava ging dat stuk vanochtend in de krant. Een hedendaagse architect die met zijn scheppingen zijn stempel op de wereld drukt. Zijn creatie in Lissabon, Garo do Oriente, trof mij afgelopen zomer. Het was wit, verbluffend, modern, groots en bevreemdend. Zo ook deze brug ondanks de veel kleinere schaal. Een fijnbesnaarde tuibrug, een bekoorlijke pracht in het groene platteland.
De Citer:
Calatrava, de architect uit Valencia, is voornamelijk bekend van ‘de Stad van Kunst en Wetenschap’ in zijn geboortestad. In een drooggevallen rivierbedding bouwde hij een complex met een operagebouw, planetarium, wetenschapsmuseum en oceanarium.
En nu wordt door de Volkskrant-redacteur van dienst beweerd dat zijn bouwsels veel duurder blijken dan begroot én, ook dat nog, ze roesten. De Citer, het heeft de architect bekoord om een fietsbrug te ontwerpen, loopt parallel met de Hoofdvaart. Even mooi, machtig en smetteloos als de Harp.
De Luit:
Deze brug ligt aan de rand van Hoofddorp en vormt een rotonde. Met de bebouwde kom in mijn rug kijk ik door het fijne raster van de tuien oostwaarts. Daar ligt Schiphol en er is druk vliegverkeer. Ik stap af om de brug beter te bekijken. Om de twee minuten daalt er een vliegtuig. Dat, samen met de brug, geeft het polderlandschap een kosmopolitische aanblik.
De Afloper:
Als ik weer op mijn fiets stap blijkt de achterband zacht. Ik heb een afloper zoals wielrenners dat noemen, een langzaam leeglopende band. Met de kit uit mijn fietstas repareer ik de band, en dat zonder te vloeken. Met de ultrakleine fietspomp pomp ik ‘m weer op. Opeens klinkt een knal en een luide zucht. De veroorzaker van de afloper, een kleine rode plug, blijkt nog in de buitenband. Te repareren valt er nu niets meer, de expeditie is ten einde. Met de fiets aan de hand loop ik terug naar de auto. De wandeling loopt langs de Toolenburg, een aangelegde recreatieplas. Het terras van uitspanning ‘de Lieveling’ ligt in de volle zon. Om me zelf te troosten bestel ik een uitsmijter. In de verte zie ik de wapperende vlaggen van de voetbalclub, de auto is niet ver. Lijdzaam leun ik achterover en lees de zaterdageditie van NRC. In die krant geen letter van kritiek op Calatrava’s bruggen.
donderdag 17 oktober 2013
De Nieuwe Wildernis?
De Nieuwe Wildernis
De overweldigende beelden uit de film met die titel over onze eigen Nederlandse natuur werden de afgelopen weken breed uitgemeten in de media. Ze brachten me niet zover dat ik naar de bioscoop ging. Ik wil nou eenmaal zelf op de pauzeknop kunnen drukken en je weet maar nooit wie er naast je komt zitten. De imponerende beelden voerden me wel naar mijn map met ‘uit de krant gescheurde fietsroutes’. Ik viste er ‘Rondje Oostvaardersplassen’ uit.
Ooit, op een knisperende winterdag, was ik al eens met mijn vrouw in dat natuurgebied wezen wandelen. Een totaal mislukte expeditie. De sneeuw was kniehoog en ons schoeisel allesbehalve berekend op de Siberische omstandigheden. Na twintig minuten waren we al weer blauwbekkend terug bij de ingang. Bij gebrek aan tractiecontrole bleef de auto ook nog wielspinnend op zijn parkeerplek staan. Drie hoofdschuddende bezoekers - zij wél met respectabele snowboots - duwden ons weer op weg.
Vandaag hebben alle weermannen met piketdienst me een aangename herfstdag beloofd. Na een nevelige ochtend zou de zon haar best doen.
Iets ten zuiden van Lelystad-Haven start ik mijn fietstocht rond de Nederlandse jungle. De Knardijk - goeie naam - vormt de oostelijke begrenzing van het natuurgebied. De dijk is hoog en je kunt daardoor ver kijken. Wat meteen opvalt is scherpe grens tussen natuur en cultuur. Links van de dijk gemaaid gras met keurige picknickplaatsen. Rechts van de dijk is het talud ook nog tiptop verzorgd. Dan een hek met erachter een heuse woestenij. Inmiddels is de nevel - zoals beloofd - opgetrokken maar de zon nog onzichtbaar. Ik fiets tegen een decor met onnoemelijk veel grijstinten, je moet ervan houden.
Ik sla rechtsaf voor de groene route naar Almere-Buiten. In het Praambos wordt het saaie grijs afgewisseld met nog groen lover. Ook op dit traject links aangelegde natuur en rechts de aan het lot overgelaten reservaat. Nadat het pad door het bos heeft gekronkeld neemt het nu de starheid aan van een liniaal. Ik word ingehaald door een groepje wielrenners. Eén van hen laat meewarig zijn blik glijden over mij en mijn fiets. Geërgerd schakel ik op en pik in het laatste wiel. Kilometerslang laat ik mij meeglijden gelijk een opportunistische profrenner. Ik lever minder energie dan daarnet maar flits wel tien kilometer sneller over de betonplaten. Ik ervaar de sensatie van ‘t jezelf laten meevoeren in de boezem van het peloton. Maar wielrennen is niks voor mij. Ik kan niet goed zitten op zo’n smal zadeltje. Van fietsen met mijn kont hoger dan de kop krijg ik pijn in mijn rug.
Zij fietsen rechtdoor naar Almere, ik sla rechtsaf het Kotterbos in.
Nu volg ik de zuidgrens van het natuurgebied en al snel stopt de bebossing. Hier kun je mijlenver over moerasgebieden kijken. In de film is er een aaneenschakeling van jagers en gejaagden maar tot nu toe heb ik nog geen dier gezien. Ja, kauwtjes en vliegjes, meer niet. Dat ik geen burlende edelherten en op ganzen jagende vossen zie, dat snap ik. Maar terwijl het op de heien rondom Hilversum stikt van de grote grazers laat de levende have zich hier niet zien. Het Jan van den Boschpad voert langs verhoogde uitkijkposten. Hier hebben zich de vogelaars verzameld. En niet de eerste de beste. Hun verrekijkers en fototoestellen zien er uiterst professioneel uit. Een vrouw heeft - ze heeft een lens van een meter - haar toestel zelfs bekleed met militaire camouflage-kleuren. Het is een drukte van belang dus er zal wel wat te zien zijn. Ik hoop op een glimp van een ijsvogel. De in prachtige kleuren getooide vogeltjes komen prominent voor in de film dus waarom niet? Aan de man met de meest indrukwekkende verrekijker vraag ik of hij een ijsvogel op de korrel heeft. Hij blijkt een Fransman, weet niet wat een ijsvogel is en kent de Engelse variant kingfisher ook niet. Behalve rimpelend water, woeste struiken en dode takken zie ik niks, geen levend wezen.
Ik verlaat de post en fiets richting Markermeer. Daar aangekomen buig ik af naar rechts. Op een bordje staat: Lelystad 19 km, ik schrik ervan. Het fietspad loopt langs de N 701, een provinciale weg. Rechts dus die dooie, grijze Oostvaardersplassen, voor me een ellenlange weg die verdwijnt aan de horizon en links het zo mogelijk nog grijzere Markermeer. Mijn korte aandachtsspanne is legendarisch onder familie en vrienden. Dus bijna twintig kilometer fietsen in een onveranderlijk milieu beschouw ik als een heidens karwei. Gedreven door de wind in de rug snel ik terug naar mijn auto. Opeens priemt er licht door het dichte wolkendek. Schuin door de wolken een schijnt een felle bundel zonnestralen die voorbij Swifterbant de aarde raakt. Je zal maar een lijfeigene in de Middeleeuwen zijn geweest, verstoken van wetenschap en Verlichting. Hij had er zeker de hand van god in gezien die hem de juiste weg wees. Ik kan de Spaanse filmregisseur Luis Buñuel nazeggen: “godzijdank ben ik een atheïst”. Anders had ik nog verder moeten fietsen.
Het rondje om de Oostvaardersplassen was saai en kleurloos. Ik ga later de film zien, thuis, en in een levendiger seizoen terugkomen. Om te wandelen, niet om te fietsen.
Thomas van der Steen
donderdag 26 september 2013
'Eenmaal in Dordt aangekomen....schijnt ut zonnetie door de bomen.'
| 'In Dordt aangekomen ..... | Thomas van der Steen | |
... schijnt ut zonnetie door de bomen.'
De collega waar ik het nauwst mee samenwerk komt oorspronkelijk uit Dordrecht. Hij woont al een decennium in ’t Gooi, maar snakt nog altijd naar zijn geboortegrond. Wij Gooiers zijn – volgens hem – bekakt, uit de hoogte en teveel gericht op 020. We missen nou eenmaal de recht-voor-zijn-raap-mentaliteit en vooral de humor die zo gangbaar is in de Drechtsteden. Maar boven alles verzekert hij me dat je er mooi kan fietsen.
Op een winderige maar heldere zaterdagochtend in juni rijd ik met de fiets achterin de auto naar de Biesbosch. Vlakbij Paviljoen de Viersprong wissel ik van stuur en fiets naar de op het schoolbord beloofde koffie met appelgebak. De uitbater staat buiten en voordat ik ben afgestapt bast hij; ‘Wel in het rek zetten, die fiets’. Dat recht-voor-zijn-raapse liet niet lang op zich wachten, nu de humor nog. Binnen blijkt de man evenwel alleraardigst. Hij legt uit dat zijn gasten hun fiets soms zelfs binnen zetten.
Na de koffie fiets ik eerst door bos, maar al snel begint de enorme weidsheid van Hollands polderlandschap. In de verte de contouren van Dordrecht maar verder: weilanden, sloten, molens, dijken en boerderijen. Over de Wieldrechtse Zeedijk rijd ik langs de zuidkant van de stad. Aan mijn rechterhand vredige buitenwijken, links dijkhuisjes, populieren met erachter akkers. Aan het einde van de dijk overschrijd ik de grens van de bebouwde kom. Om in de historische binnenstad te komen moet ik de Vogelaarwijk Crabbehof doorkruisen. Zo vaak kom ik niet in een Top 40 krachtwijk maar ‘t valt me alles mee. Geen uitgebrande autowrakken, dealende hoekmannen of lijmsnuivende minderjarigen. Maar het is dan ook een zonnige zaterdagmiddag, wie weet blijft het gespuis bij daglicht in hun holen.
De grote verrassing komt als ik in het oude gedeelte van de stad kom. Uit het statige stadhuis komt nét een bruidspaar. Familie en vrienden juichen de twee hartstochtelijk toe. Tevergeefs duikend voor de rijstregen lopen ze naar de gereedstaande Citroën DS. Nadat het gelukkige paar is vertrokken fiets ik naar het hier overal aanwezige water. Alles ziet er fantastisch uit: de havens, bruggetjes, kades en de oude koopmanshuizen met hun Dordtse gevels. Langs de Wolwevershaven rijd ik naar de Damiatebrug. Een ijzeren ophaalbrug met twee heel steile vlakken. Op en neer fietsen is onmogelijk, ik moet afstappen. Meteen laat ik de geschiedenis achter me, eigentijds Dordrecht ligt voor me.
Ik ben op de Merwekade, drie onstuimige rivieren komen samen: de Noord, Oude Maas en de Beneden-Merwede. Hier ligt een hypermoderne aanlegplaats. Wel van hout maar met elektronische borden die de vertrektijden van de Waterbussen aangeven. Die onderhouden diensten over de rivieren, van Rotterdam tot Sliedrecht. Ik wil naar de halte Hollandse Biesbosch en heb geen idee welke boot ik moet hebben. Ik vraag het een stel in uniform dat staat te roken op de kade. ‘Ik gaat naar de Hollandse Biesbosch, lieverd’, zegt de ravissante blondine met kapiteinspet. ‘Dat schip in de midden, die nemen we’. Maar er liggen vier boten dus ik vraag welke de middelste is. ‘Opschieten wijsneus, met je fiets, mijn peuk is op’. Gedwee volg ik haar naar de goeie boot. Het is een klein stukje varen maar de tocht is machtig. De rivier is breed, wild en drukbevaren. Behouden bereiken we mijn halte, ik krijg nog een knipoog van de kapitein.
Nadat ik de steiger heb verlaten moet ik kiezen tussen links- of rechtsaf. De meesten gaan rechts, verderop ligt een recreatiegebied. Ik ga links, op zoek naar de ongerepte Biesbosch. Maar die ligt aan de overkant van het water. Dat moet ik maar eens met een roeibootje doen. In mijn jeugd zag ik bij van Gewest tot Gewest dat hier bevers uitgezet werden en die wil ik wel eens zien. De watertjes, boerderijen en polders hebben zonderlinge namen. Langs het Gat van Kielen, Kooikil, Frida Katz-Erf, Kwal- en Kaalgat bereik ik mijn auto.
Mijn collega heeft zonder meer gelijk. Zijn heimwee naar Dordrecht en omgeving begrijp ik nu alleszins.
****************************
De tekening is van Annemiek Meijer
| ||
donderdag 12 september 2013
Liboa e Transtejo ( 2 en slot )
| |||||||||||||||
donderdag 29 augustus 2013
Lisboa e Transtejo ( 1 )
Lisboa e Transtejo ( 1 )
We zijn en famille met vakantie naar Lissabon. Althans, iets ten zuiden daarvan, aan de overkant van de Taag. Om over de Tejo ( Taag in het Portugees ) te geraken rijden we over de Ponte 25 de Abril, een prachtige naam. Op 25 april 1974 brak de Anjerrevolutie uit en kreeg de brug haar naam.
We fietsen niet over de brug, dat kan en mag niet. Sowieso houd ik rekening met het feit dat er deze vakantie van fietsen niets zal komen. Maar de volgende dag gaan we naar het strand en wat blijkt? Er staan zo'n 25 zilveren huurfietsjes in slagorde. Nadat ik 10 dagen de andere kant op heb gekeken kan ik me niet langer beheersen, ik ga fietsen! Het was het enige huurcontract dat de uitbater afsloot in 14 dagen.
De karretjes zijn bedoeld om peddelend over de boardwalk te flaneren. Maar een fiets is een fiets en ik maak zelf wel uit waar ik heenga. Hij is zilver geverfd – niet eens gespoten – maar dat is de enige luxe. Een door zeezout verweerde fiets met wipzadel, zonder versnellingen en met een terugtraprem. Maar 500 meter landinwaarts al mijn toegewijde Portugese vriend. Bovendien brengt hij me op plekken waar we met de auto nooit zullen komen. Al heel snel buiten de gemeentegrenzen van Costa de Caparica rijd ik langs een heuse sloppenwijk. Hier bivakkeren, letterlijk bivakkeren, de Afrikaanse strandverkopers, de Bengaalse bordenwassers en verder allen die op de onderste sport van de toeristenindustrie staan. Het achterland van vakantiebestemmingen is vaak troosteloos. Maar een onvervalste favela op een kilometer van het strand is wel het toppunt.
Tussen de dorpen liggen vuilnisbelten, failliete fabrieken, verlaten boerenbedrijven, vervallen loodsen en half afgebouwde huizen. Alle beelden in kranten en journaals die de crisis van Zuid-Europa moeten illustreren zijn hier tastbaar.
Fietsen in Portugal is levensgevaarlijk. Het verkeer kent haast geen fietsers en er wordt derhalve nauwelijks rekening met me gehouden. Uiterst behoedzaam en geconcentreerd beweeg ik me voort. Ik probeer zoveel mogelijk de kleinste en stilste wegen te nemen. Maar af en toe ontkom ik niet aan een drukke doorgaande weg.
Links van me zie ik de hypermoderne koepel van 't kolossale winkelcentrum waar wij onze boodschappen doen. Daar is juist alles zeer luxueus. Volop marmer, metershoge puien van spiegelend glas, zoevende liften; crisis.....what crisis? De hoogste verdieping is het horeca-walhalla. Van McDonald’s tot authentiek visrestaurant en alles ertussen, zo’n 25 zaken in getal. Je haalt eten naar jouw voorkeur en eet aan tafels in het midden. Het was er alle dagen dat we er waren afgeladen. De supermarkt is tot middernacht open en op een zondagavond ging ik om half elf nog een vergeten fles wijn halen. De drukte was onwerkelijk, 't krioelde als op een zaterdagmiddag.
Ik bereik heelhuids Almada en doorkruis de stad naar de haven waar de ferry naar de overkant klaarligt. Ik vraag of ik, behalve de 1,20 voor mezelf, extra voor de fiets moet betalen. Het is zo ongebruikelijk dat iemand zijn fiets meeneemt dat er geen tarief voor bestaat. Tussen de forensen, jeugd, marktkooplui en andere reizigers sta ik ontzettend de toerist uit te hangen......met mijn fiets. De boot steekt de Taag over naar Lissabon. Op de rivier zorgt een oceaanbries voor verkoeling maar verderop ligt de stad te dampen in de zon.
Aan gene zijde snelt iedereen zo snel mogelijk de wal op. Ze hebben haast om aan te haken bij de dynamiek van de metropool. Als laatste verlaat ik de pont, ik durf me niet te mengen in het gedrang. De gammele boot die waarschijnlijk al 60 of 70 jaar dienst doet, contrasteert danig met haar aanlegplaats. Want Terminal Fluvial do Cais do Sodré oogt futuristisch. Behalve kade voor de ferry's is het ook een trein- en pas opgeleverd metrostation. Vanzelfsprekend allemaal betaald door de EU en bij elkaar verdiend door hardwerkende en zuinige Noord-Europeanen.
Als ik het station verlaat blikkert de zon oogverblindend en onverbiddelijk op de witte stenen om me heen. Zo helder en schoon als het nu is, zo louche en obscuur was het hier afgelopen zaterdagnacht. Onze kinderen hadden het onzalige idee opgevat om te gaan stappen in de grote stad. Tja, daar ben je jong voor. Ik had ze op het hart gedrukt om de terugreis te regelen vóórdat ze vertrokken. ‘Komt goed, pa, taxi’s zijn hier spotgoedkoop’, sprak mijn zoon. Dus wie stond er ‘s nachts om half vier op deze zelfde plek, tussen de hoeren, drugsdealers, brakende, vozende en vechtende kids om de mijne op te halen? Tja, daar ben je nou eenmaal vader voor.
Nu ga ik eerst em português lunchen, later meer.
Thomas van der Steen
woensdag 14 augustus 2013
Friso
In Lage Vuursche bevindt zich natuurlijk ook Kasteel Drakensteyn. Hier was, naar eigen zeggen, onze Beatrix zo gelukkig met Claus en de kinderen. In voorbereiding op het zwaarste ambt genoot zij hier van een relatief onbezorgd en normaal gezinsleven. Het gebouw ken ik alleen van foto’s. Het is privébezit van mevr. B. van Lippe-Biesterfeld, met de nadruk op privé. Het zicht op haar have en goed wordt afgeschermd door bomen, hoge hekken en bewapende soldaten van de Koninklijke Marechaussee. In een wijde boog fiets ik een rondje om de hekken. Van de foto’s weet ik dat het acht-hoekige gebouw op een gecreëerd eilandje ligt. Maar nergens krijg ik een kans op een glimp van de burcht. Na haar troonsafstand kan Beatrix onbespied mijmeren over haar bewogen verleden.
Zal ze dan op zondagen naar de nabije kerk gaan? De Stulpkerk ligt op 2 minuten lopen van haar voordeur en is Nederlands Hervormd. Het is een klein dorpskerkje met dito begraafplaats. Er liggen twee mannen voor eeuwig te rusten met de voornaam Stoffel. Ik dacht altijd dat de naam van de schildpad uit De Fabeltjeskrant verzonnen was. Afgeleid van het fantasie-werkwoord stoffelen: zich zeer moeizaam voortbewegen. Maar het blijkt gewoon een vergeten Nederlandse voornaam te zijn.
Thomas van der Steen
Abonneren op:
Posts (Atom)